Een wonderbaarlijke reis

 

 

Esoterie

Filosofie

Spiritualiteit

 

 

 

 

 

 

 

9

 

 

 

 

Toen ik de volgende morgen wakker werd, zag ik dat het tien uur was. Dat was erg laat voor mijn doen. Helena lag te slapen en ik besloot een ontbijt voor haar te maken dat we dan samen in bed konden opeten. Zachtjes kroop ik eruit. Mijn benen waren stijf, maar ik was wel de moeheid van het lopen van de vorige dag kwijt. De stijfheid voelde alsof het na enige beweging, een paar koppen koffie en een hete douche wel verdwenen zou kunnen zijn. Ik was inmiddels goed bekend met waar alles stond in de keuken en met wat er in huis was. In twintig minuten had ik een ontbijt klaar en tien minuten later ging ik met het ontbijt naar de slaapkamer. Helena werd net wakker en keek verbaasd toen ze mij zag binnenkomen met het ontbijt. “Verrassing”, zei ik. “Een lekker ontbijt voor een vermoeide, mooie vrouw. Waar heb je zin in?” “Koffie, eerst koffie”, zei Helena. Ik schonk twee grote mokken koffie in en voegde daarin toe wat zij wilde. Ze kwam een beetje omhoog en nam een slokje. Ze glimlachte. “Lekker”, zei ze. “Richard, hoe voel je je en hoe is het met je spieren, ben je stijf van het lopen?” “Ja”, zei ik. “Ik ben stijf in mijn beenspieren maar niet heel erg, ik denk dat het wel meevalt en straks wegtrekt.” ”Hoe voel jij je, Helena?” “Dat weet ik nog niet maar als ik mijn benen strek, voelen ze niet stijf. Helena dronk haar koffie en vroeg om een tweede beker en een broodje met een eitje. Ik regelde haar wensen en maakte het voor haar klaar. Ik maakte voor mijzelf ook wat broodjes en kroop naast haar onder de dunne deken. “Ik denk”, zei ik “dat ik vandaag maar eens een lekker rustig dagje neem. Gewoon lekker nietsdoen.” ”We kunnen vanmiddag een stukje gaan varen”, zei Helena. “Varen?” zei ik. “Met een boot bedoel je?” “Ja lieverd, met een boot, hoe anders?” zei Helena verbaasd. “Hoe kom jij aan een boot?” “Gewoon, omdat we er een hebben natuurlijk”, lachte Helena. “Vind je dat zo raar?” “Nee, je hebt gelijk, natuurlijk is dat niet raar, maar ik heb hier bij het meer geen boot zien liggen.” “Klopt”, antwoordde Helena. “De boot ligt ook niet hier bij het meer, maar vijftien kilometer verderop bij een veel groter meer. We kunnen er met de auto heen rijden. Oh Richard, je ogen gaan glimmen, volgens mij heb je er wel zin in!” Ik kreeg een kus op mijn voorhoofd. “Zeil of motor”, zei ik. “Mag zeil én motor ook?”, lachte Helena. “Hoe groot is dat meer?” “Groot.” “Hoe groot is die boot?” “Groot.” “Wauw”, zei ik. “Wauw”, zei Helena en dook boven op me. De ontbijtspullen vielen op de grond, maar ja, zoals ik al eerder zei, wie let daar nu op op dit moment van de dag. Ze was vastberaden. Ze had me gevangen en ik kwam niet meer los. Niet dat ik dat wilde overigens. Ik liet me maar wat graag vangen. Anderhalf uur later liet ze me los en gingen we samen douchen. “Misschien kan ik je vanmiddag op de boot een ander stuk van mijn verhaal vertellen, misschien wel het meest belangrijke deel van mijn hele verhaal. Het bepaalt voor ieder mens wie ze zijn en hoe ze zijn en waarom ze zo zijn.” “Dat is niet niks”, antwoordde ik. “Sterker nog, eigenlijk is dat alles. Als jij kunt aangeven waardoor het komt dat men is wie men is of anders gezegd, als jij voor mij kan aangeven hoe het komt dat ik ben wie ik ben en ik zou begrijpen wat jij bedoelt, zou dat betekenen dat ik dus ook voor mijzelf kan vaststellen dat ik ben wie ik ben. En als ik daar geen vrede mee zou hebben, zou ik misschien ook kunnen vaststellen hoe ik dan kan worden tot de persoon die ik wel wens te zijn. Jeetje, ik begrijp eigenlijk zelf niet meer wat ik zeg.” “Je moet het nog één keer proberen te herhalen”, zei Helena, want wat je zei, slaat de spijker op zijn kop, het raakt mijn verhaal tot in zijn diepste essentie. Het was een briljante opmerking, Richard.” Hoe ik het ook probeerde, ik kon het niet meer reproduceren. Helena hielp mij en samen konden we mijn stukje tekst opnieuw opbouwen. Helena schreef het op. “Lieve Helena, vanaf nu hebben we altijd een schrift en een pen bij ons. Je hebt me nu al zoveel dingen verteld, die voor mij een wereld openden, maar waarvan ik nu al niet meer weet waar het over ging. Ik moet meer notities maken en kunnen maken.” Helena was het met mij eens en regelde meteen een schrift en een pen. “Twee pennen”, zei ik. “Als de één het niet meer doet, hebben we de ander bij de hand om door te kunnen schrijven.” Ook de tweede pen werd geregeld. We gingen naar buiten en nestelden ons lui op de bank op de veranda, diep weggedoken in de dikke kussens. “Morgen gaan we Sam halen”, zei Helena. “Ik verheug me erop”, antwoordde ik. “Hoe laat wil je naar de boot gaan, Helena?” “Als we op tijd weggaan, kunnen we in de haven even lunchen. Er is een aardig restaurant.” “Goed idee. Wat is het voor een schip, Helena?” “Een motorsailer, een Finnsailer, het is een Fins schip en zeewaardig.” “Ik weet het”, zei ik. “Ook in Nederland zie je deze schepen regelmatig varen en ik heb ooit eens op een Finnsailer gevaren op de Noordzee voor de Nederlandse kust.” “Wauw”, zei Helena, “kun jij op zee varen?” “Ja, dat kan ik, nadat ik natuurlijk een cursus kustnavigatie had gevolgd.” Helena keek bewonderend. “Kun jij zeilen?”, vroeg ik aan Helena. “Een beetje, ik ga er eigenlijk vanuit dat jij dat kan en dat jij vanmiddag de boot voor jouw rekening neemt. Ik ben gewoon jouw passagier of bemanningslid, wat je wilt en als je het niet al te moeilijk voor mij maakt, zal ik ook nog mijn best doen om jouw bevelen op te volgen. Aan de touwen trekken en zo.” Ik knikte dat ik het begreep. “Gaat helemaal lukken”, zei ik. Een uur later liepen we naar de auto. Helena had wat spullen verzameld en deze ingepakt in een tas. “Heb je ook de sleutels van de boot bij je?”, vroeg ik haar. “Ja”, zei ze. “Over sleutels gesproken, alsjeblieft.” Ze reikte mij een bos sleutels aan. “Wat is de bedoeling?”, vroeg ik haar. “Richard, we hebben afgesproken dat jij morgen naar mijn zusje rijdt. Ik wil voorstellen dat je vandaag ook rijdt, dan kun je aan mijn auto wennen.” “Dat is een goed idee, Helena.” Ik nam de sleutels van haar aan en opende de portieren. Ik startte de motor en reed weg. Het was over deze wegen toch nog een behoorlijk stukje naar de haven en we waren na drie kwartier gearriveerd. “Zullen we eerst de spullen in de boot leggen? Dan kunnen we daarna gaan lunchen.” “Prima”, antwoordde ik. Ik herkende het schip. Het was een mooi afgewerkt schip, voorzien van teakhouten dekken. “Richard, wat denk je ervan? Ah ha, ik zie het al, krijg ik je vandaag nog mee naar huis?” Terwijl ik het schip bewonderde, pakte ik Helena bij haar schouders, kuste haar in haar nek en zei: “Als je maar genoeg aandringt, ga ik zeker met je mee, schoonheid.” Helena stapte aan boord, opende de deur en ging naar binnen. Ze legde haar tas weg en regelde wat andere dingen. “Kom”, zei ze, “ik heb honger.” We gingen naar het restaurant en genoten van een heerlijke lunch. Daarna gingen we terug naar de boot en scheepten ons in. Binnen tien minuten waren we los van de wal en gromden zeventig diesel paardenkrachten in de buik van het schip, toen ik de gashendel zachtjes naar voren duwde. Meteen reageerde het schip en gingen we vooruit. “Helena, hoe is de diepte van dit meer?” “Erg diep, je kunt hier overal varen, als je maar niet dichter dan vijftig meter bij de oevers komt, want daar kunnen rotsen zitten vlak onder de oppervlakte.” “We hebben pech, Helena, het is windstil. Dat wordt helaas geen zeilen.” “Geen probleem, Richard, we hebben nog twee maanden de tijd en ik ben ervan overtuigd dat het in die twee maanden echt wel een keer flink zal waaien, in elk geval genoeg om deze boot op zijn zeilen vooruit te krijgen.” “Is er ergens een plek waar het leuk is om heen te varen?” “Ja zeker, steek maar recht het meer over. Aan de andere kant zijn hele mooie gebieden.” “Kom Helena, laten we naar buiten gaan en de buitenbesturing gebruiken.” Het was warm en ik kleedde mij uit op mijn zwembroek na. Ook Helena deed haar zwempak aan. Bikini’s waren in die tijd in Finland nog niet echt in. Ik legde de motor op driekwart vermogen en het schip klom naar een prettige snelheid. Toen we aan de overkant van het meer kwamen, gleden we met een heel matige snelheid naar de plek die Helena aanwees. Het was een prachtig stukje natuur, tussen een aantal fors begroeide eilanden. Ik liet het anker vallen en stelde vast dat het anker grip had op de bodem van het meer. “Ga je mee zwemmen, Richard?” Ze klapte de zwemtrap naar beneden, pakte mijn hand, stapte op de zitbank in de kuip en sprong mij meetrekkend overboord. Toen ik boven water kwam, terwijl ik Helena’s hand nog vast had, realiseerde ik mij hoe verschrikkelijk koud het water was. “Koud!”, zei ik tegen Helena. “Ja lieverd, het meer is heel diep en dus heel koud.” Ze moest lachen want ik keek blijkbaar erg wanhopig. “Je bent zo groot en zo sterk en je kunt niet tegen dit koude water?”, vroeg ze. Met mijn lippen op elkaar gedrukt schudde ik van nee. “Dit is niet koud, dit is verschrikkelijk koud!” “Kom Richard, zwemmen.” Daar gingen we. Toen ik honderd meter had gezwommen, voelde de temperatuur van het water iets minder koud aan, maar het was voor mij nog altijd buitengewoon onaangenaam. Helena zag aan mijn gezicht dat ik niet blij was en ze stelde voor om terug te zwemmen naar de boot. Verrukt schudde ik van ja. Ze moest erom lachen en we zwommen terug. Ik hielp haar het zwemtrappetje op en klom snel achter haar aan. De zon was warm en al snel werd ik warmer van de lucht. Helena pakte een grote handdoek en begon me af te drogen en warm te wrijven. “Zal ik koffie maken?”, zei ze. “Lekker”, zei ik, terwijl ik nog een klein beetje bibberde. “Ongelooflijk, hoe is het mogelijk dat jij geen last hebt van dit koude water.”  “Kwestie van vaak genoeg doen. Alles went”, zei ze. “Bijna alles went”, zei ik. “Dit went nooit.” Al snel was de koffie klaar en overgeschonken in een grote thermosfles. We gingen in de kuip op de banken liggen, die bedekt waren met dikke schuimrubber kussens. De koffie was heerlijk en deed het laatste stukje werk om mij weer op normale temperatuur te krijgen. “Heb je nog zin om te praten? Om weer een stuk te vertellen van jouw verhaal? Als je er behoefte aan hebt, dan pak ik straks even het schriftje en een pen.” “Dat is goed”, zei Helena. Ik haalde zowel het schriftje als een pen. “Weet je nog wat je wilde vertellen?” Helena knikte. “Eerst wil ik het laatste stukje voor je herhalen daar waar we ergens een vorige keer zijn geëindigd. Weet je nog waar dat over ging?” Nee”, moest ik helaas bekennen. “Ik ben inmiddels al aardig de weg kwijtgeraakt.” “Het ging over het feit dat wij de aansturing van ons natuurlijke kompas, de aansluiting van onze natuurlijke telefoonlijn en daardoor de mogelijkheid van het bewandelen van het natuurlijke pad, het pad, zoals het bedoeld is, zijn kwijtgeraakt. Dit heeft voor ons ongelooflijke consequenties. Deze constatering leidt tot twee vragen, ten eerste wat zijn deze consequenties en ten tweede hoe komen we terug op de koers waarop wij weer aansluiting kunnen vinden op ons natuurlijke kompas, de aansluiting van onze natuurlijke telefoonlijn kunnen herstellen en uiteindelijk daardoor het pad kunnen terugvinden, waarop wij weer zullen leven zoals het bedoeld is en waardoor de angst, de teleurstelling, de eenzaamheid, het verdriet, de wanhoop, de chaos, de ziekte en al die andere ellende zullen verdwijnen. Over de antwoorden op deze twee vragen zijn hele boeken vol te schrijven en zijn in de vóór ons liggende geschiedenis ook hele boeken vol geschreven. Eerst moet ik nog een ander punt aan je vertellen, een punt dat in dit hele verhaal nog een uiterst, misschien wel dé meest belangrijke rol speelt. Ik heb je verteld, Richard, dat wij bestaan uit energie. Deze energie is opgebouwd uit de kleinste en meest elementaire deeltjes. Deze kleinste deeltjes hebben eigenschappen en karakteristieken. Aangezien wij zijn opgebouwd uit deze elementaire deeltjes bezitten wij ook deze elementaire kenmerken. Wij bezitten dus ook de elementaire kenmerken en al de eigenschappen van het totale universum. Het universum is geschapen en scheppende. De mens bezit dus ook de kenmerken van het geschapene en van het scheppende. Wij zijn dus allemaal als ‘alles wat geschapen is en als alles wat schept’.
Wij zijn creatieve wezens. Wij zijn in staat om zelf te scheppen. Dit scheppen gebeurt niet bewust, wordt niet gestuurd en geregeerd door onze wil, maar gebeurt onbewust, als een reactie op een proces dat wij wel zelf sturen. Wij zijn als goden en in staat om zelf dingen te scheppen, zij het op onbewust niveau. Tevens zijn wij ‘ervaringsinstrumenten’. Alles wat wij willen ervaren, zullen wij scheppen. Dat betekent dat voor alles wat wij willen beleven, wij een wereld scheppen waarin wij dat zullen beleven. De kosmos reageert op onze wens. Indien wij iets stellen, als stelling deponeren, zal de scheppende kracht in ons op dat moment onze wereld zodanig opnieuw vormen, herstructureren, dat wij een wereld zullen binnengaan, waar wij datgene zullen beleven, waar we op dat moment van overtuigd zijn, dus dat wat we op dat moment willen, en dat wat we op dat moment vinden. Richard, dit kan ik je niet bewijzen en jouw gevoel zal moeten aangeven wat je ervan vindt en wat je ermee kan, maar het volgende voorbeeld kan mijn verhaal misschien wel wat duidelijker voor je maken. Als er drie mensen zijn waarvan één persoon door één van de twee anderen intens wordt gehaat en door de derde persoon op handen wordt gedragen, dan zullen, als deze persoon iets vertelt, de twee anderen bevestigd worden in dat, wat zij vinden. De één zal bevestigd worden, dat de betreffende persoon absoluut niet deugt en de ander zal bevestigd worden dat de betreffende persoon juist wel ontzettend deugt. Wat wij vinden, bouwen wij in onze wereld, maar dan ook alleen in onze wereld. Hoe vaak hoor je niet de één tegen de ander roepen ‘maar natuurlijk is het zo, kijk dan en je ziet het, doe je ogen open en je ziet het, of ben je soms blind?’. Hiermee raken we de begrippen, de gereedschappen, waar alles om draait. Wat ik je nu ga zeggen is heel erg belangrijk en eigenlijk de bron van alle ellende op de wereld, zonder dat wij dat overigens beseffen. ‘Het hebben van overtuigingen, het hebben van meningen, het iets vinden, zijn de instrumenten, waarmee wij onze wereld bouwen, hervormen, vorm geven’. Door ons scheppend vermogen en door het hebben van overtuigingen en van meningen hebben wij het lot van ons eigen leven in handen. Wat zijn nu de gevolgen van het feit dat wij scheppende wezens zijn en bol staan van meningen en overtuigingen? Meningen die in onze cultuur heel belangrijk zijn. In onze huidige maatschappij wordt het hebben van meningen ernstig gestimuleerd. Zeggen wij ook niet ‘een beetje vent heeft een eigen mening en staat er vooral ook achter’. Het volgende drama komt hiermee al om de hoek kijken. Het hebben van een mening, van een overtuiging, het iets vinden, leidt onmiskenbaar en altijd tot de volgende stelling: ‘Het hebben van meningen leidt tot het hebben van verwachtingen’. Met deze gegevens kunnen we de consequenties vaststellen van waartoe wij in staat zijn en waartoe dat leidt, als wij ons op onze levensreis begeven, zonder de sturing van ons natuurlijke kompas. De mensen hebben dus eigen meningen, eigen overtuigingen en door hun scheppend vermogen beslissen zij dat de wereld is, zoals zij dus vinden dat het moet zijn. Door onze meningen, onze ‘ik vindjes’ te formuleren, beeldhouwen wij de wereld waarin wij leven. Wat wij vinden en wat onze mening vertegenwoordigt, bepaalt de wereld waarin wij leven. Wij geven hiermee dus vorm aan een wet waarin wij als mensen leven, namelijk het scheppende vermogen van onze geest. Wij, de mens, leven als goden met het vermogen om te scheppen. Het hebben van een mening, het vinden van bepaalde dingen, bouwt een wereld waarin je zult ervaren wat je vindt en dus ook zult beleven wat je vindt. Datgene wat je vindt, zal gevormd worden en je zult erin bevestigd worden. Dit overkomt ons dus, wij mensen, wij de scheppende, de creërende mens. Tevens heeft de wereld die wij vormen door dat wat wij vinden, door onze overtuigingen en onze meningen een waanzinnig hoge realiteitsgraad. Deze realiteitsgraad is zo hoog, dat datgene wat wij scheppen door onze meningen en overtuigingen, dus door datgene wat wij vinden, bevestigd zal worden door onze ervaringen en dus voor ons ook waar is. Deze waarheid is zo duidelijk en overtuigend, dat wij ons niet kunnen voorstellen, dat deze waarheid door anderen niet gezien wordt. Wat wij vinden, beleven wij. Wat wij vinden, ervaren wij. Wat wij beleven en wat wij ervaren is bovendien waar. Dat een ander niet ziet, dat datgene wat wij ervaren waar is, is de domheid van die ander en dus ook volledig de fout van die ander. Op basis van wat wij vinden dat waar is, van hoe wij vinden dat het hoort te zijn en hoe het daardoor dus ook is, creëren wij verwachtingen van hoe anderen horen te acteren en te reageren. Dit wordt bepaald door onze mening over hoe het leven is. Vinden dat iets is, bepaalt ook het gevoel van hoe het hoort te zijn of moet zijn en wat wij dus ook van anderen verwachten of zelfs eisen. En dit alles binnen de door onze meningen vastgestelde wetten en door ons scheppend vermogen gerealiseerde werelden. Richard, dat je dit kunt aanvoelen en kunt begrijpen is heel belangrijk. Wat voel je hierover?”
“Ja, wat voel ik erover? Eigenlijk weet ik het zelf niet. Jouw verhaal komt als een stortvloed over mij heen en ik begrijp wel wat je bedoelt. Ik ben het ook met je eens dat als mensen eenmaal een overtuiging hebben, dat als ze daarvoor gaan, hun wereld ook door die overtuiging wordt gevormd en ze er ook helemaal voor gaan om dat beeld, om die wereld te verdedigen. Datzelfde geldt trouwens ook voor mij. Als ik iets vind, vind ik het ook. Ik ga ervoor en een flinke vent die mij van mijn sokken kletst en die mijn waarheid omver haalt. Hé Helena, zonder dat ik het in de gaten had, sprak ik over ‘mijn waarheid’.” “Ja Richard, het is ook jouw waarheid. Dat wat jij vindt, dat waar jij van overtuigd bent, dat waar jij voor gaat, bepaalt jouw waarheid. Onderschat deze waarheid niet. Het waarheidsgehalte van jouw waarheid is honderd procent. Je ervaart het zo, je leeft erin. Jij bent die waarheid en inderdaad zoals jij zei, een flinke vent die je van die waarheid afhaalt. Kun je dit begrijpen?” Ja, ik kan het zeker begrijpen, hoewel het voorlopig nog erg theoretisch op mij overkomt en ik nog niet goed zie welke kant je ermee op wilt. Want inmiddels ken ik je, mijn lieve Helena. Met deze introductie heb je een doel. Je hebt een reden om dit te vertellen of heb ik ongelijk?” Nee Richard, je hebt het goed gezien, het scheppingsverhaal dat ik je net verteld heb, heeft ongelooflijke consequenties voor ieder mens. De gevolgen van het scheppen van je eigen wereld door dat wat je vindt, door het hebben van overtuigingen, heeft ongelooflijke gevolgen voor ieder mens, voor de interactie tussen mensen en eigenlijk voor de hele samenleving.” “Wauw Helena, dit zijn zware woorden, ga verder ik ben nieuwsgierig.” “Ik kom even terug op waar ik net was geëindigd. Zoals ik zei, zullen op basis van wat wij vinden dat waar is, van hoe wij vinden hoe het hoort te zijn en hoe het daardoor dus ook in onze beleving, in onze wereld is, verwachtingen gecreëerd worden, verwachtingen van hoe anderen horen te acteren en te reageren. Dit is uiterst belangrijk. Mijn mening, mijn overtuiging bepaalt hoe het is en omdat het zo is als door mij bepaald wordt hoe het dus is, mag of moet ik zelfs van jou verwachten, dat jij zal acteren en reageren zoals het in mijn zelf gecreëerde wereld hoort te zijn. Mijn eigen scheppingsvermogen creëert dus verwachtingen. Deze verwachtingen creëren op hun beurt weer teleurstellingen. Deze teleurstellingen worden niet zomaar, per ongeluk gecreëerd, maar zullen altijd en per definitie uit iedere verwachting voortkomen. De mens is dus gedoemd om altijd en overal teleurgesteld te worden.” “Helena”, zei ik geschokt, “dit kun je niet menen.” “Helaas Richard, ik meen dit en ik zeg je dit bij mijn volle verstand.” “Wat een drama, wat een wereld. Als jij gelijk hebt, is de wereld één groot tranendal.” “Is dat dan niet zo, Richard?” Plotseling herinnerde ik mij waarom Helena haar spirituele reis was begonnen, waarom ze deze kant was opgedreven. Zij was als kind al aangeslagen door haar verdriet over de enorme ellende die zij in de wereld waarnam en haar overtuiging dat er een oplossing voor al die ellende moest zijn. Ineens zag ik een aantal verbanden in alles wat Helena mij tot nu toe had verteld. “Wil je nog een bak koffie, ik zelf lust nog wel een flinke bak.” “Graag”, zei Helena. Ik pakte onze mokken en draaide me om en zag toen pas wat voor luchten er rond het meer hingen, zwart en dreigend. “Foute boel, Helena. Dat wordt noodweer.” Helena keek om zich heen en zei dat ze verwachtte dat het in elk geval zou gaan onweren. Ze gaf aan dat ze flinke hoofdpijn had en dat dat waarschijnlijk van het drukkende weer kwam. “Richard, ik vind het eng om met onweer op het water te zijn, kunnen we alsjeblieft snel naar de haven?” “Natuurlijk”, zei ik terwijl ik naar voren liep om het anker te lichten. In vijf minuten had ik het anker opgehaald en opgeborgen en startte ik de motor. Diep in de buik van het schip sloeg de dieselmotor aan en gromde luider toen ik een beetje gas gaf. Het was absoluut windstil weer en de lucht was nog zwarter en nog dreigender geworden. In de verte hoorden we het eerste gerommel in de lucht en het begon ook te weerlichten. Ik gaf meer gas en het schip reageerde onmiddellijk. De eerste regen viel en ik maakte me een beetje zorgen. Het was nog steeds windstil weer en we hadden nog een flink stuk te gaan. Het was een snel schip maar de donkere luchten kwamen toch dichterbij. “Je kijkt bezorgd”, zei Helena. “Verwacht je problemen?” Er is een gezegde in het Nederlands dat ik voor Helena probeerde te vertalen in het Engels. ‘Komt de wind voor de regen, daar kan de zaak wel tegen, komt de regen voor de wind, berg dan je zeilen maar gezwind’. Ze begreep wat ik bedoelde. Het regende en het was nog steeds windstil. Helena ging naar binnen en kwam terug met twee bakken koffie. “Lekker”, zei ik. “Daar heb ik wel zin in.” “Verwacht je problemen, Richard?” “Misschien, maar maak je geen zorgen, ik weet wat ik moet doen en ik weet hoe ik de kwaliteiten van dit schip moet inschatten. Dit is niet de eerste storm die ik het hoofd zal bieden en het zal niet de laatste zijn.” Het regende inmiddels hard. We stonden binnen en ik had daar het stuurwiel overgenomen. “Als je me veilig thuis brengt, trakteer ik je op een heerlijk diner in de haven.” Ik glimlachte en zei dat ze dat aanbod kon waarmaken. Ook Helena glimlachte en ze was iets meer ontspannen. “Hoe is het met jouw hoofdpijn?” “Beter, ik heb een pilletje genomen en dat begint te werken.” “Mooi zo.” De wind werd krachtiger en het gerommel werd sterker. De wind kreeg vat op het schip en we rolden zo nu en dan al aardig heen en weer. Dit was een goed schip en uiterst betrouwbaar. De golven werden snel groter en we moesten iets bijdraaien met in de verte de haven in het zicht. Ook de wind draaide iets bij en we kregen daardoor de wind op de kop. De boeg van het schip beukte zo nu en dan flink in de snel groter wordende golven. Flarden schuim vlogen af en aan over het schip. “Ben je niet zeeziek, Helena?” “Nee”, zei ze, “ik ben niet misselijk of zoiets. Het lijkt wel of je hiervan geniet Richard.” “Luister, lieve Helena. Hoe vaak heb je mij niet gezegd toen wij elkaar pas hadden ontmoet, dat jij anders bent. Anders anders dan de meeste mensen zijn. Ook ik ben een beetje anders. De meeste mensen vinden bijvoorbeeld deze situatie uiterst vervelend of eng. Ik geniet ervan. Het is mijn gevecht tegen de elementen en dat is een strijd die mij altijd boeit, een strijd waar ik van geniet. Er schiet mij trouwens iets te binnen. Jij hebt nog iets van mij tegoed. Iets wat je vanavond van mij krijgt.” “Wat krijg ik van je?” “Vanavond krijg je van mij de meridianenmassage.” “Ik moet ook nog dit deel van mijn verhaal afmaken.” “Als jouw hoofdpijn over is en als je er de moed voor hebt, dan kun je dat in het restaurant in de haven vertellen onder het eten, want je bent je dinertje kwijt. Kijk daar is de grote mast van de haven. Nog tien minuten en we zijn binnen en veilig. Ik wil je trouwens iets voorstellen, Helena. Morgen gaan wij Sam halen en ik rijd, zoals we hebben afgesproken. Ik begin heel voorzichtig wat verbanden te zien in de dingen die je mij verteld hebt. Misschien kunnen we morgen nog eens doornemen wat je tot nu toe verteld hebt en kan ik proberen of ik relaties kan leggen, of ik er een lijn in kan krijgen. Misschien kun jij dan essentiële punten op gaan schrijven in ons schriftje.” Helena knikte. “Goed idee, Richard, doen we.” De wind wakkerde nog meer aan en ik moest iets gas terugnemen anders waren de klappen van de boeg op de golven die op de kop stonden, te heftig. De haven kwam duidelijk dichterbij en ik realiseerde mij dat ik geluk had dat de haven aan hogerwal lag. Meer had ik mij in deze situatie niet kunnen wensen. Zodra ik moest bijdraaien om het kanaaltje naar de haven in te varen, zou ik in de luwte komen van de gebouwen die daar stonden. Het zou een gemakkelijke klus worden. De tien minuten waren iets te enthousiast ingeschat maar binnen twintig minuten lagen we vast aan de wal. Het onweerde inmiddels heel erg. Veel bliksem en een hoop lawaai. “Laten we maar hier wachten tot het over is.” “Is dat niet gevaarlijk?”, vroeg Helena. “Nee, lieve schat, het is niet gevaarlijk. Richard, je hebt me overtuigd, je hebt er verstand van, voor mij ben je een zeeman en ik heb een beetje het gevoel dat je me hebt gered.” Ik kreeg een kus op mijn wang. “Voor het redden van je leven, vind ik één kus op mijn wang wel wat weinig”, zei ik. “Oké”, zei Helena, ze sloeg haar armen om mijn nek en ik moest eraan geloven en ook deze keer deed ik dat zonder enige vorm van tegenzin. Een half uur later was het noodweer overgetrokken en verdwenen. De lucht klaarde op. De spanning was uit de lucht en Helena voelde zich ook weer een heel stuk beter. We ruimden de spullen aan boord op en sloten het schip af. We brachten de tassen naar de auto en gingen naar het restaurant. “Ik heb honger”, zei Helena. “Ik ook” zei ik. “Volgens mij heb jij altijd honger, Richard.” “Niet altijd” zei ik, “bijna altijd.” “Precies”, beaamde zij. Ze pakte mijn hand en we liepen naar binnen.