Een wonderbaarlijke reis

 

 

Esoterie

Filosofie

Spiritualiteit

 

 

 

 

 

 

 

3

 

 

 

 

De volgende morgen werd ik wakker door het lawaai van het gerommel van Helena in de keuken. Ze was koffie en broodjes aan het maken. Ik wankelde nog een beetje slaapdronken de keuken in. Toen ze me zag zei ze: “Hallo, Richard, heb je goed geslapen en voel je je beter?” “Ja, absoluut en heb jij goed geslapen, Helena?” “Jazeker”, zei ze. Ze had zich al gedoucht en aangekleed. Het was opnieuw een warme en mooie dag.
“Heb jij plannen voor vandaag?”, vroeg Helena. “Nee, niet echt. Ik beoefen al jaren Chinese oefeningen, Qi-gong. Ik heb behoefte om een stuk de natuur in te gaan en daar een paar uur mijn oefeningen te doen. Volgens mij moet het geweldig zijn om in zo’n prachtige omgeving en met zo’n intense stilte enige uren te oefenen.” “Dat is goed”, zei Helena. “Dan ga ik naar het stadje dat hier vijf kilometer verderop ligt en ga ik inkopen doen en nog een paar andere dingen die ik moet regelen. Neem deze dag voor jezelf, dat zal je goed doen.” Ik glimlachte en knikte. “Doe je die oefeningen al lang?”, vroeg ze. “Ja al vijf jaar, ik sta er iedere morgen heel vroeg voor op en doe dan mijn oefeningen. Ik heb het gevoel dat het mij goed doet en dat ik er veel baat bij heb.” “Wil je ze mij een keer laten zien en ze mij misschien leren?” “Maar natuurlijk wil ik dat.” “Fascinerend”, zei ze “dat jij iets hebt met dingen uit de oude Chinese cultuur.” Ik keek haar vragend aan. “Je zult later begrijpen wat ik ermee bedoel”, zei ze.

We nuttigden de koffie en de broodjes op de veranda en ruimden daarna de rommel op. Ik nam een douche en merkte dat ik mij een heel stuk fitter voelde dan gisteren. Het vervelende gevoel van de kou was nagenoeg helemaal verdwenen. Ik liep naar Helena en vertelde haar dat ik een heel stuk was opgeknapt dankzij de sauna en haar massage. Ze glimlachte en zei dat ze dat fijn vond. Ik pakte een boek uit mijn tas in mijn slaapkamer en ging op de bank op de veranda zitten. Toen ik wilde beginnen met lezen, kwam Helena naast mij zitten. “Mag ik je storen, want je wilt net gaan lezen?” “Natuurlijk mag je me storen.” “Geloof jij in reïncarnatie?”, vroeg zij. “Ik denk dat ik daar wel in mee kan gaan. Hoewel ik er soms ook aan twijfel. Ik zou mij voor kunnen stellen dat er iets is als karma, zoals ze in het Oosten zeggen. Dat je opnieuw geboren zou kunnen worden om opnieuw een kans te krijgen om iets te leren wat je nu eenmaal moet leren. Als je dingen doet in je leven die tegen de natuur ingaan, tegen natuurwetten, als je dingen doet waar je andere mensen diep mee kwetst of erger nog, waar je mensen mee schaadt, werkelijk schade toebrengt, dan zou ik mij kunnen voorstellen dat je dat eens en misschien zelfs wel in een volgend leven goed moet maken. En mogelijk zul je dan zelf ook zo’n ervaring moeten ondergaan van geschaad te worden, om te leren, om te kunnen gaan begrijpen, dat dat in het leven nooit de bedoeling kan zijn en indruist tegen de oerwetten van het leven, tegen de grondbeginselen van alles wat leeft, wat dat dan ook mag zijn. Maar eerlijk gezegd, weet ik niet zeker of wij meerdere levens op deze planeet moeten ervaren en dat er dus iets als karma bestaat. Ik heb daar ook mijn twijfels over.” “Wat zijn volgens jou die grondbeginselen van het leven en van alles wat leeft?”, vroeg Helena. “Ik zou het niet weten. Maar is dit iets waar jij iets van weet? Kun jij mij vertellen wat die grondbeginselen van het leven zijn, zo die er al zijn?” “Ja”, zei Helena, “ik kan je daar iets over vertellen. Het is wat ik erover voel. Het primaire grondbeginsel van het leven is de wet van éénheid, van één-zijn van alles wat leeft. Deze éénheid en het besef van deze éénheid wordt tot uiting gebracht in de wet van liefde. Liefde is hetzelfde als éénheid, het besef van één-zijn. De tegenpool van deze kracht is het ‘niet één-zijn’. Die tegenkracht komt tot uiting in het begrip ‘niet-liefde’ of anders gezegd het begrip ‘angst’. Geen éénheid is de tegenhanger van éénheid. De daarmee corresponderende krachten zijn angst en liefde. Als je iets doet in het leven wat indruist tegen deze wetten, dus eigenlijk indruist tegen de natuur, dan zal je hier ooit mee geconfronteerd worden. En dit gebeurt dan om te leren, om te ervaren dat het indruisen tegen deze wetten nooit de bedoeling kan zijn. De Engelsen zeggen dit heel mooi met de uitdrukking ‘What goes around, comes around’. Ik weet dat dit eeuwige discussiepunten zijn voor allerlei geloven en stromingen, maar voor mij is dit geen discussiepunt. Uiteraard is het onbewijsbaar, maar het is iets waarvan ik kan accepteren dat ik het niet hoef te begrijpen. Begrijpen is hier niet van belang. Ik voel dat het zo is en dat het zo moet zijn, dus is het voor mij ook zo. Zou je dit kunnen accepteren, Richard? Wat zegt jouw gevoel hierover?” “Mijn gevoel zegt mij dat wat jij net vertelde, waar is. Dat is wat ik erover voel. Ik zou dit kunnen accepteren.” Ze keek me verbaasd aan. “Je kunt dit accepteren, zonder dat je het hoeft te begrijpen? Gelukkig, je bent nog niet verloren”, zei Helena lachend. “Richard, je maakt mij heel blij dat je het in je gevoel kan accepteren en ik ben je daar opnieuw ontzettend dankbaar voor. Het heeft voor mij een enorme waarde en het bevestigt een gevoel dat steeds sterker naar voren komt. Ook daar wil ik met je over praten, maar nu nog niet. Tenminste als jij het goed vindt dat ik er met je over praat.” Ik keek haar diep in haar ogen en zei tegen haar: “Denk jij dat ik hier ben om niet met jou over deze dingen te praten? Hoe zat het ook al weer met het gevoel dat iets mogelijk voorbestemd was? Ik krijg steeds meer het gevoel dat noch ik, noch jij er uiteindelijk enige invloed op heeft uitgeoefend, dat wij hier samen, redelijk geïsoleerd van de wereld, in een huisje in Finland zitten. Begrijpen doe ik het niet, maar mijn gevoel geeft mij steeds duidelijker aan dat deze ontmoeting niet voor niets is. Deze hele reis naar Finland is gepland en niet door mij en niet door jou, maar door een kracht die buiten mij en jou omgaat. Helena, je hebt mij gevraagd wat ik van deze dingen vind, maar wat vind jij ervan?” Ze keek even peinzend voor zich uit en zei toen: “Opnieuw heb je met jouw woorden mijn gevoel en mijn gedachten hierover uitgesproken. Ik had mijn eigen gevoel niet beter kunnen verwoorden dan dat jij net hebt gedaan. En, Richard, dit is niet de eerste keer. Ik kom hier graag nog een keer op terug.” Ze stond op en zei: “Ik denk dat ik zo maar op stap ga, dan heb ik die dingen gehad.” “Heb je hulp nodig?”, vroeg ik haar, “dan ga ik met je mee. Mijn oefeningen kan ik ook later doen.
“Nee hoor”, zei ze, “ga jij maar de natuur in. En ik hoop dat je geniet van het oefenen in deze prachtige streek. Ze ging naar binnen en haalde de spullen die zij nodig had. Ze liep naar haar auto en riep: “Tot straks!”, stapte in en reed weg. Ik wuifde naar haar toen ze langs de veranda reed. Ze draaide om het huis en verdween uit het zicht. Ik schonk mijzelf nog een kop koffie in en ging nog even verder met lezen. Maar het lezen wilde niet echt lukken. Helena zat constant in mijn gedachten. Ik deed mijn boek dicht en sloot het huis af. Ik liep naar het meer en vond daar een pad dat om het meer heenliep en aan de andere kant van het meer zich splitste in de richting van de bossen en de heuvels. Ik besloot de kant van de bossen op te lopen.
Na een tijdje kwam ik op een prachtige plek. Ik begon met een meditatieoefening en deed daarna mijn oefeningen. Ik oefende twee uur en ging weer mediteren. De uitwerking van zo’n lange tijd deze oefeningen doen, was enorm. Toen ik aan het eind van mijn meditatie mijn ogen open deed, zag ik dat Helena een meter of twintig van mij vandaan op de grond zat. Zij observeerde mij. Toen ze zag dat ik mijn meditatieoefening beëindigd had, stond ze op en liep langzaam naar mij toe. Zij ging naast mij op de grond zitten en zei dat ze me al een tijd van een afstand had geobserveerd, maar dat zij mij niet wilde storen.

 

 


 

Ze was onder de indruk van de oefeningen en vroeg mij of ik haar die wilde leren. Uiteraard stemde ik daarin toe. “Hoe wist je dat ik hier was? Hoe heb je mij gevonden?”, vroeg ik haar. “Vanzelf”, zei ze. “Ik stemde me op je af en ik liep hierheen, eigenlijk in één keer.” Ik keek haar aan en zei: “Helena, wij hebben een vreemde maar overduidelijke verbondenheid, realiseer jij je dat?” Ze knikte en zei: “Ja, dat realiseer ik mij en daar moeten we dus ook eens over praten. Waar moeten we niet over praten en wanneer moeten we over al deze dingen praten?” vroeg ik haar. “Richard, het zal niet lang meer duren voordat ik je zal vragen naar mijn verhaal te luisteren.” “Begrijp me goed, Helena, dat ik je niet wil opjagen. Jij bepaalt de tijd, jij bepaalt het moment.” Ze knikte. We stonden beiden op en liepen langzaam terug naar het huis. “Ben jij geslaagd met alle dingen die je moest doen?”, vroeg ik haar. Ze knikte bevestigend. “Heb je genoteerd wat je allemaal hebt uitgegeven?” “Ja”, zei ze, “voor zover van toepassing heb ik het genoteerd.” “Ik heb het gevoel dat het verhaal dat je mij zou willen vertellen bij je begint te branden. Wordt de behoefte sterker?” “Ja”, antwoordde Helena. “Voordat ik het je kan vertellen, moet ik een rotsvast vertrouwen in je hebben. Ik blijf de angst houden dat je me zult veroordelen om wat ik je vertel. Dat je me voor gek zult verklaren en niet serieus zult nemen.” “Ik beloof je dat ik dat nooit zal doen. Ik zou het niet kunnen. In elk geval nu niet meer. Je begint me dierbaar te worden. Je bent nu al speciaal voor mij, heel bijzonder zelfs. Nu al zal ik jou nooit meer vergeten. Je staat voor eeuwig gegrift in mijn systeem als een buitengewoon mens en een hele mooie en bijzondere vrouw. Jou kwetsen is niet meer mogelijk. Kwetsen ligt toch al niet in mijn aard, maar jou kwetsen of niet serieus nemen, is voor mij niet meer mogelijk en wat ik je nu gezegd heb, meen ik met alles wat ik heb, met mijn hele wezen.” Ze keek me aan en gaf mij een kus. “Dank je wel, ik geloof je. Eigenlijk is het niet een kwestie van geloven maar van voelen, voelen dat je alles wat je zegt ook oprecht meent.” Opnieuw pakte Helena mijn hand en langzaam liepen we in de richting van het meer. “Mag ik je iets persoonlijks vragen?”, vroeg ik haar. “Ja, vraag maar.” “Hoeveel lentes ben je of anders gezegd hoe oud ben je, Helena?” “Ik ben vierentwintig.” “Ik ben zevenentwintig jaar”, zei ik. Ik vroeg haar: “Klopt het dat je veel verdriet hebt gekend in jouw leven?” “Hoe weet je dat?” “Ik heb je gepeild en dat bij je gevoeld. Ik voel dat als ik mij op jou afstem. Ik voel ontzettend veel verdriet. Ik voel ook een enorme kracht. Die kracht is groter en sterker dan jouw verdriet, maar verdriet ligt er in jou opgeslagen.” “Ja”, zei ze, “ik heb heel veel verdriet gekend. “Dat verdriet speelt zeker een heel belangrijke rol in jouw verhaal?” “Ja”, antwoordde ze, “ook daar heb je gelijk in.” We liepen langzaam en zwijgend verder. Ik keek om mij heen en genoot weer van deze prachtige omgeving. Ik zei tegen Helena: “Je boft dat je ouders in dit deel van Finland een huis hebben. Ben je hier vaak?” “Ja”, zei ze, “eigenlijk ben ik zo’n beetje de enige van ons gezin die hier nog komt. Ik heb mijn vader gevraagd om het huis niet te verkopen. Deze plek is voor mij erg dierbaar.” “Wilde hij het huis verkopen?” “Ja, daar heeft hij wel aan gedacht, omdat mijn ouders hier zelf eigenlijk nooit meer komen. Hij heeft aangegeven het voorlopig niet te zullen verkopen. Ik kom hier erg graag. Als ik even tijd vrij kan maken, ga ik hier naartoe.” “Dat kan ik mij voorstellen”, zei ik.
Zo liepen we verder en voordat ik het in de gaten had, zag ik het dak van het huis achter de bomen. Toen we bij het huis kwamen en binnen waren, vroeg ik Helena of zij iets wilde hebben. We rommelden samen in de keuken en al snel hadden we een lekkere maaltijd op het tafeltje bij de bank op de veranda staan. We gingen lui achterover in de kussens zitten en genoten van het eten en drinken. De hele verdere dag en avond zaten we op de bank op de veranda en praatten over wat we deden, over ons werk, onze hobby’s, onze interesses in de verschillende sporten en over van alles en nog wat. We leerden elkaar zo beter kennen. Helena vertelde ook wat over haar familie en ik vertelde haar ook over mijn achtergrond. Ze was erg verrast toen ik haar vertelde dat ik schilderijen maakte en dat dat eigenlijk één van mijn grote passies was. Als liefhebber van de zee en van zeilen, had ik mij toegelegd op het schilderen van zeegezichten en van grote zeegaande jachten. Ik had zelfs al wat schilderijen in opdracht mogen schilderen. Ik haalde uit mijn rugzak een aantal foto’s van schilderijen die ik had geschilderd en ze was helemaal verrukt. Ook zij bleek een liefhebber van de zee te zijn. Opnieuw concludeerden we dat we opmerkelijk veel dingen gemeen hadden. De sfeer tussen ons was veranderd. Er was een sfeer ontstaan die ongelooflijk bekend was. Ik had het gevoel dat ik haar eigenlijk al mijn hele leven kende en ook Helena gaf aan dat ze zoiets voelde.
Ik vertelde haar dat mijn behoefte om controle te houden ook duidelijk was afgenomen. Door het gevoel van bekendheid was dit gevoel bij mij verdwenen. Zij moest erom lachen. Ik was moe en om elf uur ging ik naar mijn slaapkamer. Helena zei dat ze de boel zou opruimen en zou afsluiten. Ik lag in mijn bed en kon niet meteen slapen. Er gingen duizenden gedachten en gevoelens door mij heen. Waar zou deze situatie op uitdraaien? Ik kon mij geen voorstelling maken van het verdere verloop ervan. Van de omstandigheid dat wij op zo’n vreemde manier en in zulke bijzondere omstandigheden, hier in een uithoek van Finland, blijkbaar door het lot, bij elkaar waren gekomen en hier waren ‘geparkeerd’ om te doen wat er moest gebeuren. Wat dat dan ook mocht zijn. Ik stond op het punt om in slaap te vallen, toen ik zag dat de deur zachtjes werd opengemaakt. Ik zag Helena in de opening van de deur staan. Zij was naakt en liep zacht en snel naar het bed. Ze gleed onder de lakens en keek mij aan. Ze legde haar vinger op haar lippen om aan te geven dat ik niets moest zeggen. Ze fluisterde zachtjes: “Ik moet bij je zijn, mag ik vannacht alsjeblieft bij je blijven?” Ik keek haar aan en knikte. Haar ogen waren nat, ze huilde niet, maar ik zag haar ogen glinsteren door het vocht dat erin stond. Langzaam boog ze haar hoofd voorover en haar lippen raakten mijn lippen. Dat was het begin van een nacht die ik nooit meer zal vergeten. We openden ons voor elkaar en ik daalde niet alleen fysiek diep in haar af, maar wij openden ook onze geest en onze ziel voor elkaar en ook daarin daalden wij diep in elkaar af. Alle geheimen die daar lagen opgesloten werden zichtbaar en voelbaar voor de ander. Wij reisden door het heelal en bezochten iedere uithoek, deden iedere ster en iedere planeet aan en hemel en aarde leken die nacht te versmelten. Meer is er niet over te vermelden.