Een wonderbaarlijke reis

 

 

Esoterie

Filosofie

Spiritualiteit

 

 

 

 

 

 

 

19

 

 

 

 

Helena begon te praten. Ze begon over ons verblijf van zevenentwintig jaar geleden hier vele honderden kilometers vandaan. Ik heb je in het verleden mijn verhaal verteld. Mijn verhaal van mijn zoektocht naar het begrijpen van het hoe en het waarom van alle ellende in de wereld. Ik heb je verteld hoe mijn spirituele reis is verlopen en wat dat voor mij heeft betekend. Ik heb je verteld over mijn ervaring op die koude februarimorgen bij het meer van het huis van mijn ouders.

 

 

 

 

Ik heb je verteld wat mij dat heeft opgeleverd en wat dat heeft betekend voor mij toen ik de inzichten kreeg die ik je allemaal heb verteld. We hebben daar over gepraat en gepraat. Ik vertelde je hoe ik zag, overal en telkens weer, hoe het verdriet en de angst het leven van de mensen iedere seconde van hun leven regeert en voor hun bepaalt dat ze bang zijn en bang blijven, wanhopig zijn en wanhopig blijven. Ik heb je verteld dat ik het gevoel had, dat die ontwikkeling in de toekomst alleen maar zou gaan toenemen. Ik heb je verteld hoe de mensen steeds meer last zouden gaan krijgen van angst en hoe ze daardoor steeds wanhopiger zouden worden. Ik ga je uitleggen dat ik gelijk heb gehad en waaraan ik dat kan vaststellen. De veren, waar we het toen over hebben gehad, zijn verder uitgetrokken. Je ziet steeds vaker dat de veel te ver uitgetrokken veren bij mensen met een klap terugspringen en hoe die mensen dan volkomen ingestort en compleet gestrest niet meer in staat zijn om te werken. Je ziet steeds meer mensen verdwijnen naar de andere kant van het leven en hun heil zoeken in alcohol en drugs. Kortom, de angst neemt toe, de stress neemt toe, de wanhoop neemt toe en de mensen worden steeds zieker en zieker.” “Helena, je hebt gelijk. Ook ik neem dat waar en praat er op mijn werk nog wel eens met collega’s over. De veranderingen in de maatschappij gaan snel. De mensen worden steeds wantrouwender en steeds intoleranter. Het wordt steeds meer een maatschappij waar ieder voor zich moet zorgen en waar wij maar hopen dat God dat voor ons allemaal zal doen. De banden worden duidelijk zichtbaar, harder en harder opgepompt. Overal zie je om je heen ventielen de veel te hoog opgelopen stoom afblazen.” “Jij ziet het dus ook Richard?” “Ja, maar collega’s van mij zien het ook.” We liepen al pratend en hangend tegen de wind, verder.

 

 

 

 

Na een uur lopen, kwam er een strandtent in zicht, die tegen de duinen was opgebouwd. “Een restaurant, daar kunnen we wat eten, heb je honger Helena?” “Ja zeker, ik heb behoorlijke honger.” “Kom, dan gaan we naar binnen en ons eens even tegoed doen aan een heerlijke lunch.” Het was binnen lekker warm en we namen plaats aan een tafeltje bij het raam, met zicht over het strand en de branding. Het was niet druk nu in oktober. Dit was wandelweer voor de ‘diehards’ onder de wandelaars en de ‘zee-aanbidders’. De serveerster kwam langs en we bestelden een uitgebreide lunch maar eerst namen we een warme kop koffie. Toen de koffie kwam, pakte ik de schoudertas die ik had meegenomen en zei tegen Helena dat ik een geschenk voor haar had. Ik vroeg haar of ze haar ogen wilde sluiten. Ze voldeed aan mijn verzoek en ik haalde uit mijn tas het oude schriftje waar wij zevenentwintig jaar geleden al onze aantekeningen in hadden gemaakt. Ik legde het schriftje voor haar op tafel en zei dat ze haar ogen weer kon openen. Ze zag het schriftje liggen en sloeg haar handen voor haar mond. Ze was even uit het veld geslagen. Ze begon erin te bladeren, van voren naar achteren. Iedere bladzijde bekeek ze uitvoerig en hier en daar las ze een stukje van wat wij er toen in gekrabbeld hadden. Ik vertelde haar dat ik het schriftje zevenentwintig jaar had bewaard en dat ik het nu niet meer nodig had. Ik vroeg haar of zij het de rest van haar leven wilde bewaren. Ze liet haar hoofd tegen mijn schouder zakken en de tranen stroomden over haar wangen. “Ongelooflijk”, zei ze. “Iedere dag van die twee maanden komt hier weer mee naar boven.” Ik had hier en daar ook opgeschreven hoe gelukkig ik was geweest als wij weer zo’n fantastische nacht hadden beleefd. “Lieve Helena, het is nu van jou, ik heb het niet meer nodig en ik ken iedere regel uit mijn hoofd, dus het is nu van jou.” Ze kuste me en ik kuste haar. Toen ze weer een beetje tot bedaren kwam, zei ze dat dit het mooiste geschenk was wat ik haar kon geven. “Bewaar het goed”, zei ik. Ze zei dat ze dat zeker zou doen. Het eten werd gebracht en we begonnen te eten. Ik pakte het schriftje en bladerde er doorheen en ja daar stond wat ik zocht. “Lieve schat, hier staat het. Vertel me nu wat je me te vertellen hebt. Ik weet zeker dat het te maken heeft met mijn belofte.” Ik las haar voor wat ik haar toen gezegd had. ‘Ik ga jou helpen, linksom of rechtsom, vooruit of achteruit, ik zou het niet weten, maar ik ga jou helpen’. “Hoe kan ik jou helpen? Wat wil je dat ik voor je ga doen?” Helena begon te vertellen. “Het is tijd, Richard. Het is tijd om de wereld te vertellen dat het zo niet langer door kan gaan. Ik heb het gevoel dat er niet zoveel tijd meer over is. De mensen moeten gaan begrijpen dat de dingen niet zo horen als ze denken en vinden dat het hoort. Al onze angst, al ons verdriet en al onze wanhoop is niet vanzelfsprekend. Het hoort er niet nu eenmaal gewoon bij. Het is niet juist dat het nu eenmaal niet anders is. Het hoort niet zo.” “Dat weet ik, Helena.” “Richard, jij weet het en ik weet het, maar de wereld moet het gaan weten. Ik heb geprobeerd het op te schrijven. Ik heb geprobeerd er een boekje van te maken, maar het is mij niet gelukt. Ik kan het niet. Ik weet niet hoe ik het zodanig kan brengen dat de mensen het kunnen begrijpen en dat het ook nog leesbaar is. Jij kunt het wel. Jij bent een kunstenaar. Ik vraag je om een boekje te schrijven waardoor het komt dat alles fout gaat in het leven van de mensen. Waarom de mensen leven in angst en wanhoop. Hoe het komt dat de mensen allemaal ziek worden en dat het niet zo hoort. Dat het niet allemaal vanzelfsprekend is. Wil je dat doen?. Wil je dat proberen?” “Lieve Helena, ik ben geen kunstenaar en als je mij dat etiket wilt opplakken dan ben ik nog altijd een schilder en geen schrijver. Je schat me te hoog in.” “Lieverd, jij bent mijn enige hoop. Die twee maanden zijn niet voor niets geweest. Wat wij hebben beleefd, moet de wereld ook weten.” Wauw”, zei ik, “wat wij hebben beleefd, moet de wereld ook weten. Stop maar Helena, Ik zal het doen. Ik ga het doen. Je hebt me al een idee gegeven en eigenlijk ligt het boek al in mijn hoofd.”

 

 


 

Helena keek verbaasd. “Meen je dat, weet je al hoe je het moet gaan doen?” Ik glimlachte en zei: “Ja. Ik weet hoe ik het ga doen en pas op, ik ben geen schrijver maar ik ben wel waanzinnig gedreven. Helena, het boek gaat er komen.” Opnieuw kreeg ik een dikke kus van Helena en ze straalde. “Dank je”, zei ze. “Wanneer is het klaar, wanneer kan ik het lezen?” “Ik beloof je dat ik je binnen drie maanden het manuscript zal toezenden.” “Wauw”, zei ze. We genoten verder van onze lunch en praatten over onze kinderen, over ons werk en wat we verder zoal in het leven deden. Daarna kleedden we ons weer goed aan en vervolgden onze wandeling langs het strand. De wind was gaan liggen en de zon kwam er nog een klein beetje door. Helena genoot van deze wandeling.
We liepen de hele verdere middag langs het strand en de branding en gingen zo nu en dan even op het strand zitten om nog een beetje te genieten van de zon en even uit te rusten. Tegen zes uur waren we terug bij de auto en trokken onze truien uit. We waren inmiddels best behoorlijk verkleumd. Ik startte de motor en deed de verwarming aan. De auto werd snel warmer en ik zei tegen Helena. “En nu even zien waar we gaan eten.” Ik pakte mijn pda’tje, het kleine handcomputertje waar mijn navigatiesysteem op draait en zocht waar zich restaurants in de buurt bevonden. “Er zijn drie restaurants in deze omgeving en we rijden langs alle drie en we kiezen dat restaurant, dat het gezelligst lijkt.” “Wat ze tegenwoordig allemaal niet kunnen”, zei Helena. “Weet je nog, Helena, wat jij vertelde over de kracht van de wetenschap. Een kracht die geen kracht is en ons in elk geval niet geeft wat wij zoeken. We zoeken rust, liefde en vrede en de wetenschap is niet in staat om ons dat te schenken. Straks zit jij weer in Finland en ik hier in Nederland. Straks kunnen wij iedere dag met elkaar communiceren. Op het moment dat ik mijn boodschap naar jou verstuur, heb jij het al binnen. Het digitale tijdperk brengt de mensen dichter bij elkaar. Afstand en tijd bestaan niet meer. Ik kan je straks bellen in Finland met mijn mobiel, terwijl ik hier langs het strand loop. Ik kan je ook een sms’je sturen, dat je dan op je gemak kunt lezen en later kunt beantwoorden. Als ik thuis ben, kan ik met je msn’en en we kunnen er ook nog een camera bijzetten, zodat we elkaar nog zien ook. Fantastisch die wetenschap. Het brengt de mensen dichter bij elkaar en ze hoeven niet meer op antwoord te wachten, want dat komt meteen. Toch is de eenzaamheid groter dan hij ooit geweest is. Toch staan de mensen verder van elkaar dan ze ooit gestaan hebben. Toch is er meer wantrouwen ten opzichte van elkaar dan er ooit geweest is. Het lijkt wel of de technische wonderen het leven, het hart en de ziel uit de mensen haalt.” “Je hebt gelijk, Richard, maar het blijft tweeslachtig. Ik moet je eerlijk zeggen dat ik ontzettend dankbaar ben dat ik straks al die middelen kan gebruiken om met jou in contact te kunnen komen en dat dagelijks of meerdere keren per dag.” “Ja Helena, ik ben dat met je eens. Misschien realiseren wij ons nog eens dat de wetenschap slechts een middel is en nooit een doel kan zijn. Misschien is dat een soort gulden middenweg, want ik gebruik nu natuurlijk ook mijn auto en mijn pda’tje, maar het zijn voor mij geen heilige koeien. Als ik morgen zonder moet, ben ik er in één minuut aan gewend. Ik wil mij er niet van afhankelijk maken. De basis van het leven, de basis van het geluk, de basis van vrede en liefde liggen niet in alle wetenschappelijke uitvindingen en alle wetenschappelijke wonderen. Waar blijf je als je ze morgen niet meer hebt? Waar zijn dan al jouw zekerheden?”. We reden inmiddels het parkeerterrein van het eerste restaurant op. Het zag er zo gezellig uit dat we besloten om maar naar binnen te gaan. Het liep tegen half zeven. Het diner was heerlijk. Helena genoot en we haalden samen herinneringen op van zevenentwintig jaar geleden. “Morgen zien we elkaar nog de hele dag, Richard. Ik weet niet of ik je daarna ooit nog zal zien. We zullen met elkaar contact houden en daardoor alles van elkaar weten, maar ik weet niet of wij elkaar ooit nog zullen zien.” “Als jij dat zegt, Helena, baart mij dat zorgen. Je hebt een gave om de toekomst aan te voelen. Het is of de Tao jou stukken van de toekomst laat zien. Ik word niet blij van jouw opmerking, maar toch heb ik er op dit moment wel rust en vrede mee. Wij hebben iets samen, ik weet niet wat het is en ik weet niet wat voor naam ik eraan moet geven. Het is iets wat over alle grenzen heengaat. Wat zonder afstand en zonder tijd is. Dat geeft me rust en dat geeft me vrede. Dat wat jij met mij en ik met jou heb, is iets wat voor ons alleen is. Ik weet dat. Ik voel dat. Het is los van ieder gevoel van bezit en toch kom ik nooit meer van je los. Het voelt of dit al duizenden jaren geleden zo was en of het over duizenden jaren nog steeds zo zal zijn, dus is het goed. Ik kan ermee leven.” “Ik ook, Richard. Ook ik heb er vrede mee, maar beloof je me wel dat je me alles zult melden van jou? Alles. Ik wil weten of je je fijn voelt en ik wil weten wanneer je verdriet hebt. Ik wil alles weten.” “Ik zal jou alles melden, Helena, alles, als jij belooft mij op de hoogte te houden van alles van jou.” “Ik beloof het”, zei ze. Om half tien verlieten we het restaurant en om tien uur waren we bij het hotel van Helena. Ik ging nog even met haar mee naar haar hotelkamer en daar liet Helena nog twee koppen koffie brengen. Om half elf nam ik afscheid van haar en koerste op huis aan.