Een wonderbaarlijke reis

 

 

Esoterie

Filosofie

Spiritualiteit

 

 

 

 

 

 

 

18

 

 

 

 

Het was donderdagavond, een gure avond in oktober. Ik had net Sam uitgelaten. Sam is mijn grote, blonde labrador. Iedere avond lopen wij samen een half uur en iedere avond geniet ik ervan, weer of geen weer. Na een lekkere kop koffie, ging ik achter mijn notebook zitten want ik had nog wat dingen te doen. Een briefje schrijven, wat opzoeken op het internet en even kijken of ik nog mail had. Ik opende mijn outlook en er waren een paar mailtjes maar niet het mailtje dat ik verwachtte. Ik ging terug naar het internet om daar nog wat op te zoeken. Mijn oudste zoon vroeg of hij de computer van mij kon overnemen. Hij heeft er zelf een op zijn kamer, op zolder, met alles erop en eraan, maar hij vindt het gezelliger om beneden in de huiskamer te internetten en te msn’en met zijn vrienden en vriendinnen. Ik kan mij daar iets bij voorstellen. “Vijf minuten”, zei ik, “en dan mag jij.” Ik opende nog even mijn outlook om te kijken of het verwachte mailtje misschien binnen was. Eén nieuw bericht werd er gemeld. Het was een voor mij onbekende naam. Dat gebeurde wel vaker. Ik heb ongeveer zeven jaar geleden een website gebouwd waar ik foto’s van mijn schilderijen op tentoonstel. De meeste schilderijen die ik exposeer hebben te maken met de zee en zeegaande schepen. Op mijn site staat ook een link naar mijn emailadres zodat mensen die daar behoefte aan hebben, mij kunnen benaderen. Zo nu en dan krijg ik een reactie. Deze reacties komen uit de hele wereld. Bovendien geeft deze link een automatische omschrijving met ‘marine-paintings’. Ook dit ontvangen bericht had deze omschrijving. Meestal zijn het mensen die denken iets voor mij te kunnen doen en mij hun diensten aanbieden, zodat zij aan mij kunnen verdienen. Over het algemeen verwijder ik dan deze mails ongelezen. Ook nu was ik van plan om dit e-mailtje te verwijderen, toen mijn oog viel op de naam Helena. Ik aarzelde en opende de mail. Snel las ik een aantal kernwoorden en ik kon slechts één ding concluderen: zij was het, Helena! De Helena. Mijn adem stokte in mijn keel. Het werd even zwart voor mijn ogen. Helena, na zevenentwintig jaar, dat kon toch niet. Waarom en waarom nu? Ik riep tegen mijn zoon dat ik nog even vijf minuten extra nodig had en mopperend stemde hij toe. Ik las het mailtje en ik las het nog een keer. Het was Helena. Helena uit Finland. Ik was uit balans. Dit berichtje gooide mij omver. Hoe is het mogelijk. Ze had een aantal dingen opgeschreven die mij onmiskenbaar moesten herinneren aan mijn verblijf van twee maanden met haar in het hoge noorden van Finland, nu zevenentwintig jaar geleden. Ze vroeg mij of ik haar alsjeblieft terug wilde schrijven. Het was bijna een smekend verzoek. Ik aarzelde geen moment en besloot om morgenavond mijn plaats achter mijn veel gebruikte notebook op te eisen en haar een bericht terug te sturen. Ik moest het even tot mij laten doordingen en op mij laten inwerken. Meteen reageren vond ik om één of andere reden niet goed. Ik kopieerde de tekst van haar e-mail naar een Worddocument en ook haar e-mailadres stelde ik daar veilig. Ik nam ook haar e-mailadres over in mijn agenda. Stel je voor dat mijn computer het om welke reden dan ook zou begeven en ik deze gegevens nu kwijt zou raken. Ik stond de plaats achter mijn computer af aan mijn zoon, die daar dankbaar gebruik van maakte. Ik werd teruggetrokken naar zevenentwintig jaar geleden. De twee maanden met haar gingen door mijn hoofd en ook het afscheid van haar herinnerde ik mij nog goed. We hadden een jaar intensief met elkaar geschreven en toen meldde ze mij dat ze naar Amerika ging. In die periode verhuisde ik zelf ook en om één of andere reden zijn we elkaar daarna uit het oog verloren. Ik heb nooit een bericht van haar gekregen waar zij zat en ik kon haar dus ook niet berichten waar ik zelf zat. Mijn leven vulde zich vanzelf in. Ik ontmoette de vrouw met wie het klikte en van wie ik overtuigd was dat ik met haar mijn leven wilde delen. Helena en de herinneringen aan haar waren weggezakt naar de diepere gebieden van mijn geest. Ondanks mijn nieuwe leven was ik door haar besmet. Wat zij mij in die twee maanden heeft verteld, is nooit meer uit mijn geest verdwenen. Besmet klinkt negatief, maar dat is niet zoals ik het bedoel. Zij heeft in die twee maanden tijd iets aan mij overgedragen, waar ik nooit meer van los ben gekomen. Haar ideeën over het leven hadden zich vastgezet in mijn geest en in mijn ziel. Het had zijn werk gedaan. Door mijn eigen omstandigheden gedreven ben ook ik in de loop van de jaren op drift geraakt. Ook ik begreep dat de dingen in het leven anders moesten. Ook ik had de ervaring dat ik niet verder kon met wat ik om mij heen zag gebeuren en wat er in mijn eigen leven gebeurde. Ook ik begon te rammelen aan de draden van het web en ook ik heb mij op een gegeven moment ingescheept om mijn eigen zoektocht te beginnen. Ook ik heb uiteindelijk de spirituele reis gemaakt die Helena zevenentwintig jaar geleden aan mij beschreef. Uiteindelijk had ik een vergelijkbare ervaring van mijn aankomst bij de onneembare muur en tenslotte de ervaring van het passeren van de poort. Ik denk dat het bij mij anders ging maar wel vergelijkbaar. Ook ik begreep op één en hetzelfde moment alles wat Helena had beschreven. Hoewel ik toen verstandelijk kon volgen wat ze mij vertelde, had ik niet de ervaring dat het zich nestelde in mijn complete systeem. Uiteindelijk gebeurde dat bij mij dus ook. Ook ik heb daarvoor mijn strijd gestreden. Een strijd waar je niet vrolijk van wordt en die te lang duurde, maar ik heb het overleefd en ook ik heb hetzelfde gevoel als waar zij toen bij mij mee binnenkwam. Het gevoel dat ik anders ben en niet gewoon anders maar anders anders. Anders anders dan de mensen om mij heen. Dankzij alles wat Helena mij toen vertelde, heb ik mijn strijd kunnen uitstrijden tot het laatste stukje, zonder om te vallen of door te branden. En nu, ineens, als een donderslag bij heldere hemel, meldde zij zich aan bij mijn digitale voordeur en gleed haar brief in mijn digitale brievenbus. Die nacht sliep ik onrustig. Ik kon haar niet meer uit mijn hoofd krijgen. Ze had in haar e-mailbericht aangegeven wie zij was en om mij te overtuigen, had zij hiervoor een aantal dingen genoemd, waaruit ik kon afleiden dat zij de waarheid sprak. Het waren dingen die alleen zij en ik wisten. Zij vroeg mij met grote klem of ik contact met haar wilde opnemen. Als ik de Richard was met wie zij ooit twee maanden had geleefd, dan moest ze mij spreken. Ik reserveerde vast de notebook voor morgenavond. Minstens voor een uur. Ik had werk te doen. De volgende avond schreef ik haar terug dat ik de Richard was. Dat ik blij was dat ik een teken van leven van haar vernam, maar niet goed begreep waarom nu, na zevenentwintig jaar. Ze antwoordde mij, dat er misschien een kans was dat ze mij dat persoonlijk zou kunnen uitleggen. Ze vroeg of ik in de buurt van Amsterdam woonde en of ik misschien twee dagen vrij zou kunnen nemen. Zij moest voor een congres één dag naar Amsterdam, maar zij zou daar dan meteen twee dagen extra aan vastknopen, zodat wij deze twee dagen hadden om met elkaar te kunnen praten. Het idee schokte me. Zevenentwintig jaar zie ik haar niet en dan doet de mogelijkheid zich voor om twee dagen met Helena te kunnen optrekken. Even twijfelde ik, toen mailde ik terug dat ze mij de data moest doorgeven en dat ik het zou proberen. De volgende dag had ik op mijn werk geregeld dat ik twee dagen vrij was. Ze zou de volgende week al komen. De dagen daarop werden vreemde dagen. Ik ging terug in de diepte van mijn geest en de herinneringen van die twee maanden Finland, van die reis die ik toen had gemaakt, van het verblijf bij Helena, alles kwam weer naar boven. Het stond inderdaad in mijn geest en in mijn ziel gebrand. Ik kreeg nog een mailtje van haar met de naam en het adres van het hotel waar zij zou verblijven. Het was in Amsterdam. In de tussenliggende dagen zocht ik in mijn spullen en na enige tijd vond ik een oud schriftje. Ik bladerde erin en zag zowel de stukjes geschreven door Helena als de stukjes die ik er zelf in had gekrabbeld. Dit maakte weer nieuwe herinneringen los. Hoe zou ze eruit zien na zevenentwintig jaar? Misschien zou zij zich hetzelfde afvragen over mij. De tand des tijds had natuurlijk aan mij en ook aan haar geknabbeld. Zou ik haar herkennen? Zou ze mij herkennen? Op dinsdag had zij haar congres en op woensdag en donderdag hadden we gereserveerd om te praten, om oude herinneringen op te halen. Ik herinnerde mij dat ze mij had gezegd dat ze mij ooit eens zou herinneren aan een belofte die ik haar had gedaan. Ik zocht in het schriftje en ik had dat inderdaad opgeschreven, in het Nederlands. De meeste aantekeningen waren in het Engels. Ze had me ook nog gemaild en gevraagd hoe laat ze klaar moest staan. Al zou het vijf uur ’s morgens zijn, dat was geen probleem. Ik had haar teruggemaild dat ik haar om zeven uur ’s morgens in het hotel zou ophalen. Als ze dan in de hal zou zijn, zouden we elkaar wel vinden. Dinsdagavond ging ik naar bed en het was anders dan anders. Ik kon niet echt slapen. Ik voelde een spanning en ik weet niet of het prettig of onprettig was. Uiteindelijk sliep ik in en reed de volgende morgen om zes uur weg, richting Amsterdam. Dankzij mijn elektronisch navigatiesysteem reed ik in één keer naar het hotel en parkeerde de auto, dichtbij de ingang van het hotel. Het was kwart voor zeven. Ik was een kwartier te vroeg. Ik twijfelde of ik buiten zou wachten en om zeven uur naar binnen zou gaan, maar ik besloot om toch maar nu al naar binnen te gaan. Ik ging door de draaideur en keek in de hal. Het was niet druk. Ik schatte dat er ongeveer vijftien tot twintig mensen in de hal aanwezig waren, zowel mannen als vrouwen. Plotseling viel mijn oog op een gestalte. Het was een vrouw, zij stond met haar rug naar mij toe. Blond haar maar langer dan ik kende van de Helena van toen. Zij had iets in haar houding wat ik herkende. Ze stond daar met een warme jas over haar arm. Ik liep naar haar toe en toen ik twee meter bij haar vandaan was, draaide zij zich om. Wij keken elkaar aan. Er was geen enkele twijfel, niet voor haar en niet voor mij. “Richard”, zei ze. “Helena”, zei ik terug. Ze keek me aan en glimlachte. Het was haar oude glimlach. Ik bleef staan en haalde diep adem. Ze liep op mij toe en pakte met beide handen mijn armen. Ze bleef voor mij staan en keek mij aan. Toen sloeg ze haar armen om mijn nek en kuste me op mijn beide wangen en op mijn voorhoofd. Ik begroette haar op dezelfde manier. Weer was er die tinteling, net als zevenentwintig jaar geleden. Ook aan haar merkte ik, dat deze ontmoeting veel bij haar losmaakte. We bleven elkaar aankijken en wisten eigenlijk niet wat we moesten zeggen. “Heb je al ontbeten?”, vroeg ze. “Nee”, zei ik, “ik ben om zes uur zo vertrokken.” “Zullen we hier ontbijten en heb je nog altijd zoveel honger, net als toen?” Ik moest glimlachen om haar opmerking en zei dat het goed was om hier te ontbijten. We liepen naar de eetzaal. “Richard, hoe is het met je?” “Met mij is het goed, maar hoe is het met jou Helena?” Ze twijfelde even en zei toen dat het goed was, in elk geval is het nu heel erg goed. “Ik ben zo blij dat ik je weer zie en met je kan praten.” “Twee dagen”, zei ik. “Twee dagen, lieve Helena, het zijn geen twee maanden maar het is beter, heel veel beter dan niets.” Ze knikte. “Ik ben er blij mee, heel blij.” “Je bent twee dagen mijn gast” zei ik. Ze knikte. We gingen zitten aan een tafeltje en namen een ontbijt. Ik keek haar aan en zei “Helena, los van het feit dat ik vreselijk blij ben met deze ontmoeting, vraag ik mij af waarom en waarom nu? Ik ben je kwijtgeraakt en ik heb me suf gepiekerd hoe ik weer contact met jou kon krijgen maar dat is mij niet gelukt en uiteindelijk heb ik me neergelegd bij het feit dat ik je kwijt was. Waarom nu?” Helena antwoordde: “Ook ik ben jou kwijtgeraakt, Richard. Ook ik heb van alles geprobeerd om jouw adres te achterhalen, maar ook ik heb mij er op een gegeven moment bij neergelegd. Je weet niet half hoeveel verdriet mij dat heeft opgeleverd.” Ik legde mijn hand op haar hand. “Je schreef mij dat je naar Amerika ging. In diezelfde periode ben ik ook verhuisd en waarschijnlijk is het daar fout gegaan. Misschien heb jij brieven gestuurd naar mijn oude adres, die niet meer zijn doorgestuurd naar mijn nieuwe adres, om welke reden dan ook. Ik wist jouw nieuwe adres in Amerika nog niet en kon dus zo op geen enkele manier mijn nieuwe adres aan jou doorgeven.” “Toeval?”, zei Helena. “Richard, weet je nog dat wij het over lotsbestemming hebben gehad, toen, in Finland?” Ik knikte en zei: “De Tao of het grote Plan. Wat lag er op onze weg?” “Oh Richard”, zei Helena, we hebben zoveel te bespreken. Ik begin nu wel voorzichtig te begrijpen hoe en misschien ook waarom wij elkaar zijn kwijtgeraakt. Het heeft mij zoveel verdriet gekost.” “Lieve Helena, ik was op een gegeven moment compleet wanhopig, totdat ik mij iets realiseerde over het plakken van etiketten. Het was een lapmiddel, maar het heeft mij er wel doorheen gesleurd.” Ik zei: “Helena, we zijn zevenentwintig jaar verder, ongetwijfeld heb jij een leven in Finland met mogelijk een gezin en ik heb dat hier. We leven nu in het digitale tijdperk met allerlei mogelijkheden: e-mail, msn, sms en mobiele telefoontjes. Ik weet wel niet hoe al die dingen werken maar ik heb twee kinderen die mij dat ongetwijfeld kunnen leren. Wij gaan deze dingen gebruiken om het contact nu wel aan te houden.” Ik keek haar aan. “Absoluut”, zei ze. “Ik laat je niet meer los, ook al is het op grote afstand en ook al is ons contact uitsluitend digitaal.” Ik keek haar aan en bleef haar aankijken. Ook Helena keek mij onafgebroken recht in mijn ogen. “Je bent wel wat ouder geworden, maar niet echt veranderd”, zei ze. “Ik ben op zijn minst dikker geworden en een beetje kaal”, zei ik. “Ja, dat is waar, maar het misstaat je niet.” “Ook jij bent ouder geworden, Helena, maar je bezit nog altijd dezelfde schoonheid van zevenentwintig jaar geleden. Hoe is het mogelijk, dat ik nu naast je zit en met je kan praten en je zelfs aan kan raken.” “Heb je nog wel eens aan mij gedacht?”, vroeg ze. “In het begin dagelijks maar later is het wel weggesleten. Ik doe nog altijd iedere morgen mijn qigong-oefeningen en soms gaat het nog wel eens door mijn hoofd dat wij een afspraak hebben gemaakt, dat iedere morgen als wij de oefeningen zouden doen, wij aan elkaar zouden denken.” “Ik heb dat zevenentwintig jaar volgehouden, Richard. Ik heb al die jaren iedere morgen de oefeningen gedaan en het heeft mij al die jaren heel veel goed gedaan en mij in moeilijke tijden ook steun gegeven. Ik heb daarbij iedere morgen, geen dag uitgezonderd, aan jou gedacht.” Dat raakte mij diep in mijn ziel. Ik keek haar aan en zei haar dat ik het best spannend had gevonden om haar nu weer hier te ontmoeten, maar dat ik nu het gevoel heb dat we naadloos doorgaan waar we toen gestopt zijn. Het lijkt, als ik zo met je praat en naar je kijk, of er geen gat tussen zit. Het lijkt nu of we gisteren afscheid hebben genomen.” Helena knikte. “Ik heb datzelfde gevoel. Helena, ik heb je iets belangrijks te vertellen. Je hebt mij toen jouw verhaal verteld. Je hebt mij alles verteld over jouw spirituele reis. Door jou beïnvloed en waarschijnlijk door wat er in mijn leven op mijn weg is gekomen, ben ik, eerst onbewust, ook aan de draden van het web gaan rammelen en schudden. Ook ik ben weggedreven en heb de afgelopen jaren mijn spirituele reis, mijn zoektocht gemaakt. Ook ik ben uit de ballenbak gevallen en ook ik ben uiteindelijk beland aan de voet van de onneembare muur. Tenslotte, toen ik de wanhoop nabij was, heeft zich ook voor mij de poort geopend en heb ik een zelfde ervaring gehad als jij ooit op een koude februarimorgen hebt gehad aan het meer bij het huis van jouw ouders in het hoge noorden van Finland. Je moest eens weten hoe ik je toen heb gemist en wat had ik toen graag met je willen praten.” Ze pakte mijn handen en hield mij stevig vast. Ze kuste mijn handen. “Dus je weet nu uit eigen ervaring wat ik toen heb beleefd?” Ja, dat weet ik nu. Nu weet ik wat jij als jonge vrouw helemaal alleen hebt beleefd en hebt moeten verwerken.” “Nee”, zei ze “ik heb het niet alleen verwerkt. Jij hebt mij op een onvoorstelbare manier geholpen om dat proces te verwerken. Nog altijd is dat voor mij ongelooflijk en het was op dat moment voor mij een zegen. Het zijn tot op het moment van vandaag nog altijd de twee mooiste maanden van mijn leven geweest. Ik heb toen ervaren wat liefde is. Liefde zonder strijd, liefde zonder angst en liefde zonder spanning, op welke wijze dan ook.” “Helena, ook voor mij zijn die twee maanden onmiskenbaar de mooiste van mijn leven geweest. Twee maanden, die in mijn ziel zijn gegrift en een stempel op mijn leven hebben gedrukt. Ik moet je zeggen dat ik nu, op dit moment, voel dat de zevenentwintig jaar tussen nu en het moment dat wij afscheid namen, niet bestaan. Ze zijn in rook opgegaan.” Helena knikte opnieuw. “Ook nu spreek je weer de woorden uit, die ik je had willen zeggen, net zoals je dat meerdere keren deed zevenentwintig jaar geleden.”
Ik vroeg Helena hoe haar congresdag was geweest. “Saai en vervelend”, antwoordde ze. Mijn collega’s vonden het al vreemd dat ik erheen wilde, maar omdat het in Amsterdam was, zag ik een mogelijkheid om jou op te kunnen zoeken. Ik ben toen meteen gaan zoeken op het internet of ik iets van jou kon vinden en liep toen tegen jouw website aan. Toen ik de foto’s van jouw schilderijen zag, wist ik zo goed als zeker dat jij het was. Toen ik jouw e-mailadres ook nog zag op de website was ik de koning te rijk. Ik heb je toen meteen dat mailtje gestuurd en hoopte eigenlijk dezelfde avond nog antwoord te krijgen. De volgende dag was een spannende dag voor mij en toen ik om acht uur ’s avonds van jou antwoord kreeg en las dat jij het inderdaad was, sprongen de tranen in mijn ogen. Gisteren was voor mij ook een rare dag. Ik heb nauwelijks gehoord wat er allemaal gezegd is. Ik was enigszins gespannen voor vandaag, voor de ontmoeting met jou. Ik heb de afgelopen nacht ook slecht en vreemd geslapen. Het feit dat ik jou weer zou zien, deed me meer dan ik vooraf had gedacht, hoewel ik eigenlijk vanaf het moment dat ik de kans zag om naar Amsterdam te gaan weer de storm in mij voelde loeien. Het was vanaf het begin al heftig en toen had ik jouw website nog niet eens ontdekt op het internet.” Ik vertelde Helena dat ook bij mij een paar dagen voordat ik haar mailtje kreeg, de wind weer was opgestoken. Het was een hele lange tijd niet meer voorgekomen, maar ik had het duidelijk onderkend. Toen ik haar mailtje ontving, begreep ik de oorzaak. Ze keek me aan, nog steeds met ongelovige ogen. Ik keek haar aan en zei: “Ja, Helena, ik ben het. Je hoeft niet te twijfelen.” “Ik kan het nog steeds niet geloven”, zei ze. “Helena, je had een mogelijkheid om naar Nederland te komen en greep die mogelijkheid aan. Je hebt kans gezien om mij te traceren en je hebt me benaderd. Er lag een mogelijkheid om mij te ontmoeten en ik ben blij dat die mogelijkheid zich heeft voorgedaan en dat jij er werk van hebt gemaakt. De Tao is ons opnieuw goedgezind. Was mij opzoeken jouw enige reden of had je nog een andere reden om met mij in contact te komen?” “Waarom vraag je me dat, Richard?” “Toen ik jouw mailtjes nog eens opnieuw las, herinnerde ik mij dat je aan het eind van onze periode van twee maanden in Finland tegen mij hebt gezegd, dat je mij ooit nog eens zou herinneren aan een belofte die ik jou toen heb gedaan.” Ze keek me aan en zei: “Zoals ik jou ooit heb gevonden in het bos achter het meer toen jij daar voor het eerst jouw oefeningen deed, alleen door mij op jou af te stemmen, zo heb je mij nu gepeild en gevoeld wat er in mij leeft.” “Je komt me dus ook herinneren aan mijn belofte?” Helena knikte en zei: “Ja, dat ga ik doen, maar het vreemde is dat ik mij dat eigenlijk pas in het vliegtuig van Helsinki naar Amsterdam ben gaan realiseren. Toen is er een plan gerijpt in mijn hoofd en niet eerder. Ik wil een beroep op je doen, maar dat vertel ik je later, niet nu.” “Ga je de spanning weer opvoeren, lieve Helena, net als zevenentwintig jaar geleden?” Ze glimlachte en zei: “Je hebt trouwens prachtige schilderijen op jouw website, je bent echt een kunstenaar.” “Dank je”, zei ik, “maar ik ben en blijf een amateur.” “Niet voor mij”, zei ze. “Ik voel me vereerd.” “Toch meen ik het”, antwoordde Helena. “Wanneer vlieg je terug naar Helsinki?” “Morgenavond om tien uur stijg ik op vanaf Schiphol. “Dan hebben we dus twee hele dagen de tijd om te praten, te praten en te praten.” “Wat wil je gaan doen”, vroeg ze. “Ik heb even na lopen denken over wat we kunnen doen deze twee dagen en ik heb een plannetje gemaakt. Vanaf nu houden wij contact.” “Als het even kan houden wij dagelijks contact”, zei Helena, “al is het maar één sms’je.” “Dat is afgesproken, dat betekent ook dat ik nog al eens achter mijn computer zal zitten om met jou te communiceren. Ik heb een mogelijkheid om jou mee te nemen naar de plaats waar ik woon en je mijn huis te laten zien. Niet dat dat huis belangrijk is, maar dan kun je zien waar ik woon en waar ik leef. Er is vanmorgen niemand thuis en we kunnen een kopje koffie bij mij thuis drinken. Je kan dan mijn computerhoekje zien en de plek waar ik straks zal zitten als wij communiceren.” “Dat is een leuk en een goed idee. Is het ver hier vandaan? Het is ongeveer een half uur rijden. Ik heb wel een beetje het gevoel waar ons gesprek deze twee dagen over zal gaan en ik weet dat dat eigenlijk alleen maar echt te bespreken is, waar wij het zevenentwintig jaar geleden ook gedaan hebben.” “Maar Richard, dat was in de bossen in Noord Finland en daar kunnen we nu toch niet naar toe.” “Dat is waar”, zei ik “maar ik bedoel eigenlijk iets anders en toch ook weer hetzelfde. Lieve Helena, wij waren in de natuur en dat is de plek waar ik deze twee dagen opnieuw met jou wil doorbrengen, weer of geen weer, wij gaan opnieuw de natuur in. Nu is de natuur van Nederland zeker niet zo overweldigend als de natuur van Finland, maar ik denk toch dat ik iets heb gevonden waar wij ons wel thuis zullen voelen. Nadat we bij mij koffie hebben gedronken, gaan we een hele lange strandwandeling maken, langs de branding van de Noordzee en daarna gaan we ergens aan de kust samen dineren en je bent mijn gast. Daarna breng ik je terug naar jouw hotel. Morgen haal ik je weer om zeven uur op en ontbijten we weer hier. Daarna rijden we naar de Veluwe, waar we gaan wandelen in de bossen, over de heidevelden en over de zandverstuivingen. Als je morgen na het ontbijt meteen uitcheckt, gaan we, nadat we weer samen gedineerd hebben, samen terug naar Schiphol en zorg ik dat je op tijd bent om het vliegtuig te halen. Ik zal er persoonlijk voor zorgen, dat je ook deze twee dagen voor de rest van jouw leven niet meer zult vergeten.” “Daar hoef je niet zoveel voor te doen”, antwoordde Helena. “We gaan zo eerst nog even naar mijn hotelkamer, zodat ik wat spullen kan meenemen.” Ik knikte. Vijf minuten later stonden we op en gingen naar haar kamer. Toen we in haar kamer waren en Helena de deur achter zich dicht had gedaan zei ze: “Richard, ik moet je iets zeggen. Zevenentwintig jaar geleden hield ik van je en was je mijn minnaar. Ik houd nog steeds evenveel van je en die zevenentwintig jaar lijken nu te zijn verdwenen. Ondanks dat ik nog evenveel van je houd, kan ik nu niet meer jouw minnaar zijn. Ik ben getrouwd en heb drie dochters in Finland. Niet dat ik het niet zou willen, maar het is in mijn gevoel niet goed.” Ze ging voor mij staan, sloeg haar armen om mijn nek en kuste mij innig. “Het is goed”, zei ik. “Het is ook geen probleem”, zei ik. “Eigenlijk Helena, is het precies wat ik zelf ook voor ogen heb, want ook ik ben getrouwd en heb twee jongens.” Ze keek mij aan en zei: “Je moet me alles over ze vertellen.” Ik glimlachte en knikte. “Kom, pak je spullen, dan kunnen we onze tweedaagse reis beginnen.” Helena stopte een aantal dingen in haar tas en we verlieten haar kamer. Toen we in de auto zaten en op weg waren naar mijn huis zei ik tegen Helena: “Je vroeg mij of ik nog wel eens aan je dacht of aan je heb gedacht. De eerlijkheid gebiedt mij om te zeggen dat ik niet dagelijks aan jou heb gedacht, zoals jij aan mij, maar ik heb een verrassing voor je als we straks bij mij thuis zijn. Het is een bewijs dat mijn verblijf met jou in Finland nooit meer echt uit mijn systeem is verdwenen.” “Je maakt me nieuwsgierig.” “Toch ga ik het je niet vertellen”, zei ik. “Je zult geduld moeten hebben en ik ben benieuwd hoe je erop zal reageren.” Dank zij mijn navigatiesysteem waren we snel de stad uit en draaiden we de snelweg op in de richting van de plaats waar ik woon. Toen we op de snelweg waren vroeg ik Helena: “Ben je gelukkig?” Ze aarzelde een tijdje en zei: “Nu ben ik heel erg gelukkig.” Ik keek haar even aan en er lag een hoop triestheid en verdriet in haar ogen. “En jij, Richard?” “Ook ik ben nu heel erg gelukkig.” “Zullen we dat hoofdstuk dan maar laten rusten?”, zei ze. “Ik wil het hebben over jou en mij, over toen en nu en er zijn andere dingen waar ik graag met jou over wil praten, eigenlijk met jou over moet praten.” “Ook jij, Helena, maakt mij nu nieuwsgierig. Een half uur later parkeerde ik voor mijn huis en stapten wij uit. Ik zei tegen Helena dat ze niet moest schrikken als ze bij mij naar binnen zou gaan. Ik opende de voordeur en ging via de hal de gang in. Sam kwam blij uit de kamer en begroette mij en Helena, even uitbundig als altijd. “Oh” zei Helena “een blonde labrador.” “Ja”, zei ik “en hij heet Sam.” “Echt waar?” “Sam is mijn dagelijkse herinnering aan een verblijf van zevenentwintig jaar geleden met jou in de bossen in het noorden van Finland. Sam doet mij herinneren aan de twee mooiste maanden van mijn leven met de mooiste en de liefste vrouw die ik ooit heb gekend.” Helena had vocht in haar ogen en zei: “Hij lijkt op onze Sam.” “Ja, dat doet hij, alleen had onze Sam een zwarte neus en heeft mijn Sam een roze neus, maar verder zijn het twee druppels water.” Helena pakte een zakdoekje en snoot haar neus. “Gaat het, lieve Helena?” Ze knikte en zei dat het ging. Ik nam haar jas aan en maakte twee koppen koffie. Ik liet haar mijn huis zien en foto’s van mijn vrouw en mijn kinderen. Verder zei ik haar dat ze het computerhoekje goed in zich op moest nemen, zodat ze voortaan zou weten waar ik zat, als ik met haar mailde of met haar zou gaan ‘msn’en’. Naast mijn computerbureau stond een schildersezel met daarop een schilderij dat ik net had afgerond. De vernis was eigenlijk pas sinds een paar dagen droog. Het was een bosgezicht en ik had het uit mijn hoofd geschilderd op een groot doek. Helena vond het prachtig en ze kon zich er nauwelijks van losmaken. Steeds opnieuw vertelde ze me hoe mooi ze het vond.
Anderhalf uur later zaten we weer in de auto en waren op weg naar de kust om een paar uur langs het strand te zwerven.

 

 

 

 

Toen we bij de kust aankwamen was de wind aangewakkerd en stond er een behoorlijke, gure bries. “Is het niet te koud voor je, Helena?” Ik had thuis nog even twee van mijn truien in een plastic tas gestopt en die achter in mijn auto gegooid. Ik bood haar een trui aan die ze in de auto aantrok. Ook ik deed een trui aan en zo waren we extra beschermd tegen de gure zeewind. Helena was blij met de trui en zei dat ik nog altijd net zo goed voor haar zorgde als toen die twee maanden in Finland. We ploeterden door het mulle zand en liepen naar de branding. Daar was het zand harder en liep het makkelijker.
Helena sloeg haar arm om mijn middel en drukte zich tegen mij aan. Ook ik sloeg mijn arm om haar heen. “Niet te koud?” vroeg ik. Ze schudde haar hoofd dat ze het niet koud had. “En nu, lieve Helena, vertel me wat je hebt te vertellen en vraag me wat je mij hebt te vragen.”