Een wonderbaarlijke reis

 

 

Esoterie

Filosofie

Spiritualiteit

 

 

 

 

 

 

 

15

 

 

 

 

De volgende dag was een andere dag. De zomer was verdwenen. Het was frisser, meer bewolkt maar het was wel droog. We maakten ’s morgens alle spullen klaar voor onderweg en pakten dat in tassen. Om half tien lag de kano in het water. Sam moest in het voorste deel en Helena zou het voorste stoeltje nemen. Ik zat achter haar. Ze legde uit hoe we het best konden instappen en toen wij erin zaten wist Sam uiterst behendig voor in de kano te komen. Met de peddel duwden we ons weg van de kant en daar gingen we. Ik was benieuwd wat voor snelheid we konden halen zonder al te moe te worden. Het viel mij niets tegen. Helena had het duidelijk meer gedaan maar voor mij was het onbekend en nieuw. Ik had jaren geroeid, maar dit was toch iets anders.
 

 

 

 

We gleden over het water en Sam zat voorin te genieten. We staken het meer over en Helena gaf aan dat er ergens een doorgang, een doorgaande sloot, moest zijn naar een ander meer. We vonden hem al snel en gingen deze doorgang in. Na tien minuten lag er een groter meer voor ons. “Richard, hoe vind je het?”, vroeg Helena over haar schouder. “Heerlijk en wat is het hier mooi!”, riep ik naar voren. Helena knikte en we gleden het andere meer op. “Waar moeten we heen?”, vroeg ik. Helena wees met haar peddel en zei dat we die kant op moesten. We peddelden door en hoewel de beweging voor mij onbekend was, vond ik het niet vermoeiend. We staken het meer over waar meer wind was wat we wel konden merken. Dat herinnerde mij eraan dat we misschien een dezer dagen ook nog wel weer eens konden gaan zeilen met de Finnsailer van de vader van Helena. Ik genoot van het landschap en van het opnieuw op het water zijn.
De wolken hingen voor de zon en het was veel minder licht dan wij de afgelopen weken gewend waren, maar voor mijn gevoel hoorde dit weer bij zo’n tocht over deze meren in dit noordelijke deel van de wereld. Toen we het meer waren overgestoken, peddelden we ongeveer een uur door en volgden daar de oever. Na nog een half uur verder te zijn gegaan, meldde Helena dat we aan wal gingen, omdat zij mij iets wilde laten zien. We stuurden af op de wal en toen we bij de kant kwamen, trokken we ons aan de overhangende takken verder naar de oever. De kano liep vast op de bodem en Sam sprong zonder dat hem iets was gevraagd uit de kano en klom de oever op.

 

 

 

 

Helena ging er eerst uit. Ze had haar schoenen uitgetrokken en haar broekspijpen een beetje opgerold en stapte in het ondiepe water naast de boot. Ik volgde haar voorbeeld. Toen ik er ook uit was, pakte ik de punt van de boot en trok de kano een stuk uit het water en sleepte hem het gras op. Met een landvast, een stuk touw dat voor op de boeg van de boot zat, bond ik hem vast aan de stam van een boom. “Wat is jouw bedoeling, wil je hier iets doen?” “Ja Richard, ik wil je iets laten zien.” Ik zag dat de wal waar we hadden aangelegd een behoorlijk hoge heuvel was. Helena zei dat we naar boven zouden klimmen en dat je daar een prachtig uitzicht had naar verschillende kanten, waar je over verschillende meren heen kon kijken.
 

 

 

 

We klauterden naar boven, waarbij ik Helena meerdere keren moest ondersteunen omdat ze bijna weggleed. Na vijf minuten stonden we boven op de heuvel en liep ik achter haar aan. Zij vond een pad en volgde dat. Weer vijf minuten later zei ze: “En wat vind je ervan?”
Het uitzicht de ene kant op was fantastisch. Het was het deel waar de zon een beetje op viel. Het was het Finland van de ansichtkaarten. Ik zag het nu in werkelijkheid en dacht opnieuw ‘wauw’ wat een land. Opnieuw vroeg Helena hoe ik het vond en ik sprak mijn gedachten hardop uit. “Wauw, wat een land. Deze keer niet eens wauw wat een vrouw?”, vroeg Helena. Ik keek haar aan en moest lachen. “Jij blijft mooier dan alle Finse meren bij elkaar, lieve Helena.” Ze liep naar me toe en kuste me. “Ik ben stom geweest”, zei ik. “Als ik had geweten hoe mooi het hier was, had ik de rugzak met koffie meegenomen, want ik heb wel zin in een flinke bak.” Toen ik om mij heen keek, zag ik dat er een ander pad liep, een makkelijker begaanbaar pad en ik zag beneden ook de kano liggen. “Wacht Helena, ik ga de rugzak halen en ik ben zo weer terug.” Binnen vijf minuten was ik terug met de rugzak en de koffie, maar ik stond wel te hijgen. De koffie was voor mij daarom na deze inspanning extra lekker. We dronken allebei twee bakken koffie en gingen toen weer terug naar de kano. Ook deze keer ging het instappen zonder problemen.

 

 

 

 

We duwden ons weer weg van de kant en kregen snel enige snelheid in het scheepje. Opnieuw staken we het meer over. “We varen door tot die landpunt daar en daar gaan we omheen”, riep Helena over haar schouder. “Is goed”, riep ik naar voren. Na een klein half uur peddelen, waren we bij de landpunt en gingen er omheen. Hier stond duidelijk meer wind en ik zette meer kracht bij het peddelen. Ook Helena deed wat zij kon. Dit deel was ook weer een prachtig stuk natuur.
Toen we om dit stuk oever heen waren, kregen we de wind van achteren en het peddelen ging meteen een stuk beter. Helena deed het even wat rustiger aan en ik volgde haar voorbeeld. Een half uur verder maakte ik kennis met Finland als houtland. Bomen kappen en het vervoeren van de stammen. Dat gaat hier over het water. “Dat zijn de grondstoffen waar mijn vader rijk van is geworden en eigenlijk vind ik het te triest voor woorden. Hele stukken natuur worden overal op de wereld platgegooid om er dingen mee te doen waar eigenlijk niemand op zit te wachten. Ook dat heeft te maken met het in mijn ogen bewandelen van de verkeerde weg”, zei Helena. “Kilometers en kilometers hout drijven hier naar de fabrieken waar het wordt verzaagd. Het zijn de longen van de wereld.”

 

 

 

 

Ze was duidelijk boos en aangeslagen toen ze hierover begon. Hoe draai je het in godsnaam allemaal terug, dacht ik bij mijzelf en moet je het allemaal wel terugdraaien? Zijn we er zoveel slechter op geworden? Zevenentwintig jaar later zou ik mij diezelfde vraag nog een keer stellen en dan zou ik niet meer twijfelen over het antwoord op deze vraag. We peddelden verder en Helena zei dat we de rechteroever moesten aanhouden en dat we weer richting huis zouden gaan. “Eerst nog even ergens wat eten”, riep ik naar voren. Helena knikte en wees naar een plek op de oever. “Daar”, riep ze. We peddelden erheen. Spoedig was iedereen aan land en smulden we van de lekkere dingen die Helena weer had geregeld. “Hoe lang varen is het vanaf hier naar huis?” “Ik denk ongeveer anderhalf uur, misschien iets langer.” We zagen in de verte de eindeloze stroom met stammen drijven. “Het blijft moeilijk om die hele gang die de mensheid heeft gemaakt weer terug te brengen of om te keren en welke kant moet je op Helena? Geen economie meer en wat dan, wat moet er dan gebeuren? Weet jij daar het antwoord op?” “Nee”, zei ze resoluut. “Ik weet daar het antwoord niet op, niemand weet daar het antwoord op, maar dat hoeft ook niet. Als we het oude afbreken door het niet meer te voeden, komt de natuurlijke weg vanzelf naar boven. We hoeven dat pad niet te zoeken. We hoeven ons niet af te vragen wat we moeten doen. Het natuurlijke pad is er. De Tao is in iedereen aanwezig. We hoeven alleen maar al onze ballast weg te doen. We moeten het pad ontdekken door het ‘dek’ wat erop ligt op te ruimen. Dan zal naar boven komen wat ons terug zal brengen naar onze natuurlijke staat. Juist door niets te doen in plaats van voor alles dingen met ons hoofd te bedenken. Je weet, lieve Richard, dat ieder antwoord op iedere vraag alleen maar nieuwe vragen oproept. Er is geen einde. We zullen nooit een ‘wetenschap van alles’ vinden. Nooit, want die is er niet. Hoe meer we ‘wetenschappen’, hoe verder we van huis komen en hoe verder we de jungle in raken. Je weet wat de oude Chinezen zeiden duizenden jaren geleden. Dat gold toen en dat geldt nog steeds.

 

Daarom keren echte mensen doelbewust terug naar het wezenlijke, vertrouwend op de steun van de geest en bereiken zij aldus volledigheid. Daarom slapen zij zonder dromen en ontwaken zij zonder zorgen.

 

“Dat zou een mooie tijd zijn, een tijd waar ik voor teken”, zei ik. “Wij zullen eraan werken, Richard. Ik weet niet of ik die kracht bezit, Helena.” “Ja Richard, die bezit je, misschien nu nog niet, maar later. Ook jij speelt een rol in dit proces, Richard.” Ik knikte tegen Helena maar kon me er eigenlijk niet veel bij voorstellen. Toen we klaar waren met eten, gingen we even lekker lui in het gras liggen. Sam lag naast me te hijgen en hoewel hij absoluut onvermoeibaar was, lag hij eigenlijk altijd te hijgen met die grote tong uit zijn bek. Hij hield me altijd in de gaten. Als ik opstond en ergens heenliep, ging hij onmiddellijk mee. Hij was mijn vriend en zo voelde ik het ook. Na een half uurtje scheepten wij ons weer in in de kano en voeren op huis aan. Binnen twee uur waren we thuis. De kano lag weer snel in het schuurtje achter de sauna en de andere spullen waren ook spoedig weggewerkt. “De zomer is voorbij”, zei Helena. “De geur van de herfst wordt iedere dag sterker.” “Ook dan kunnen we prachtige wandelingen maken hier in de bossen, Helena.” “Richard, je bent een woudloper geworden, weet je dat?” Ik realiseer mij dat en ik besef inmiddels dat het een van de fijnste dingen is om te doen. Zwerven door en in de natuur. Ik heb me nog nooit in mijn leven zo gevoeld als dat ik mij deze twee maanden heb gevoeld. Speel ik daar ook nog een rol in?”, vroeg Helena plagend. Zonder enige aarzeling zei ik: “De grootste, onmiskenbaar speel jij daar de grootste rol in, maar naast het fascinerende leven met jou heeft de rust van deze ongelooflijk uitgestrekte natuur een wonderlijke invloed op mij en het lijkt of die invloed iedere dag sterker wordt.” “Eigenlijk moeten we nog een stuk in jouw auto rijden, Richard.” “Dat doen we vanavond, we gaan een eind rijden en onderweg trakteer ik je op een diner in het mooiste restaurant dat hier in de buurt te vinden is.” “Vijftig kilometer rijden”, zei Helena, “op een redelijke weg. We zijn er binnen een uur.” “Heb je het telefoonnummer?” “Dat kan ik opzoeken.” Helena zocht het nummer op en bestelde een tafel voor twee personen. Mijn auto was inmiddels gemaakt. Het had aanzienlijk langer geduurd dan het in eerste instantie nog zou lijken. We hadden hem opgehaald en ik wilde hem uittesten en er even een flink stuk mee rijden. Dat zou dus vanavond gaan gebeuren. Ik stelde Helena voor om even te gaan douchen, want het werken in de kano had voor mij het nodige zweet opgeleverd. Toen ik onder de douche stond, kwam Helena bij me staan en samen stonden we zeker vijfentwintig minuten onder de warme straal. Ik voelde me ervan opknappen. Helena droogde mij af en ik haar en we liepen met een grote handdoek om de keuken in. Ze ging aan het tafeltje in de keuken zitten en ze vroeg of er nog aantekeningen uitgewerkt moesten worden. Ik nam de aantekeningen van die dag door en zei dat ik graag het stukje wilde uitwerken over het ‘ontdekselen’ van de natuurlijke weg die in ons ligt opgeslagen en waar wij alleen de ballast vanaf moeten halen. Samen maakten wij er een stukje van dat ik begreep en waar ik wat mee kon. Toen dat klaar was, kleedden wij ons aan en stapten in mijn auto op weg naar het restaurant op vijftig kilometer hiervandaan verwijderd. De heenreis verliep voorspoedig en het eten was voortreffelijk. Het restaurant was romantisch aangekleed, veel kaarsen en heerlijke muziek. Ook Helena genoot. Zo nu en dan stelde de een de ander voor om even te zwijgen over dat wat Helena te vertellen had. Eigenlijk konden we er allebei niet over zwijgen maar soms werd het teveel, of voor de een of voor de ander. Vanavond hadden we afgesproken het er maar even niet over te hebben. Het viel niet mee maar het lukte zo nu en dan. Ook de terugreis verliep voorspoedig en ik begon weer vertrouwen te krijgen in mijn auto. We waren allebei moe van de hele dag op het water en ook het peddelen leverde mij in elk geval een beetje spierpijn op. Ik had respect voor Helena die geen zware sporten beoefende en zeker niet aan krachttraining deed. Zij had geen spierpijn en eigenlijk had ze het gewoon helemaal nergens over. Ze was alleen maar moe en dat was met een flinke nacht goed slapen weer te repareren en dat deden we dus beiden.