Een wonderbaarlijke reis

 

 

Esoterie

Filosofie

Spiritualiteit

 

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

Dit verhaal is in twee aspecten een verwoording van een wonderbaarlijke reis. Het is het verslag van mijn eigen reis naar Finland, waar ik jaren geleden, het moet nu ongeveer zevenentwintig jaar geleden zijn geweest, naar toe reisde. Ik was toen zevenentwintig jaar oud. In die tijd was ik helemaal weg van Scandinavië en in het bijzonder van Finland. Het overweldigende van de stilte en de prachtige natuur trokken mij enorm aan. Ik was er al twee keer eerder geweest. Die eerdere reizen was ik liftend rondgetrokken en had daardoor ook de mensen beter leren kennen. Deze keer was ik in het bezit van een eigen auto en wilde nog één keer dit prachtige land doorkruisen. Op de één of andere, vreemde manier had ik een drang om er nog één keer heen te reizen. Achteraf bleek het een wonderbaarlijke reis te worden. Zowel de reis op zich als die ene mens die ik daar ontmoette, vertolkten twee buitengewone gebeurtenissen, twee buitengewone reizen, echter twee reizen op totaal verschillende gebieden.
Aangezien de geografische details van deze reis niet van belang zijn voor dit verhaal wat ik je wil, wat ik je moet vertellen, zal ik je die details onthouden. Het is van geen belang hoe mijn route precies liep en vanwaar ik naar welke plaats dan ook reisde.
Ik was ongeveer twee weken onderweg en ik trok steeds noordelijker, waar de natuur steeds overweldigender en de bevolkingsdichtheid steeds geringer werd. De wegen bestonden nog slechts uit ruwe zanderige wegen, hier en daar verhard met kiezels en keien. De bossen werden steeds dichter en de meren steeds talrijker. Ik had een klein tentje bij me en als ik geen camping kon vinden, dan zette ik het tentje ergens op in het bos. Uiteindelijk sliep ik vaker ergens in de bossen dan op een camping. Op een goede morgen werd ik zelfs verrast door een beer die in de buurt van mijn tentje rondscharrelde. Gelukkig lag er tussen hem en mij een flinke plas water, een klein meertje, wat te groot was voor hem om er zo even doorheen te rennen. Ik genoot van mijn reis en van dit prachtige land. Vooral de zonsondergangen in dit deel van de wereld zijn in de zomerperiode magisch. Soms is de ondergaande zon zo fel oranje, dat het hele landschap oranje is gekleurd en het water in de meren wel een grote pot met oranje verf lijkt.
Ik was vroeg opgestaan, want ik was inmiddels zo noordelijk doorgedrongen, dat de nachten duidelijk steeds korter en de dagen steeds langer werden. Mijn tentje was niet meer helemaal in orde, het lekte op een paar plaatsen en het had de afgelopen dagen nogal flink geregend. Dat betekende dat mijn slaapzak nat was geworden en ik al een paar dagen in een natte slaapzak had moeten slapen. Ik was daar verkouden en een beetje grieperig door geworden. Ik stapte om zes uur ’s morgens in mijn auto, vervolgde mijn reis en reed verder naar het noorden.
Dit verhaal is in twee aspecten een verwoording van een wonderbaarlijke reis. Het is het verslag van mijn eigen reis naar Finland, waar ik jaren geleden, het moet nu ongeveer zevenentwintig jaar geleden zijn, naartoe reisde. Ik was toen zevenentwintig jaar oud. In die tijd was ik helemaal weg van Scandinavië en in het bijzonder van Finland. Het overweldigende van de stilte en de prachtige natuur trokken mij enorm aan. Ik was er al twee keer eerder geweest. Die eerdere reizen was ik liftend rondgetrokken en ik had daardoor ook de mensen beter leren kennen. Deze keer was ik in het bezit van een eigen auto en wilde ik nog één keer dit prachtige land doorkruisen. Op de één of andere, vreemde manier had ik een drang om er nog één keer heen te reizen. Achteraf bleek het een wonderbaarlijke reis te worden. Zowel de reis op zich als die ene mens die ik daar ontmoette, waren voor mij twee buitengewone gebeurtenissen, twee buitengewone reizen op totaal verschillende gebieden.
Aangezien de geografische details van deze reis niet van belang zijn voor dit verhaal dat ik je wil en moet vertellen, zal ik je die details onthouden. Het is van geen belang hoe mijn route precies liep en vanwaar ik naar welke plaats reisde.
Ik was ongeveer twee weken onderweg en ik trok steeds noordelijker, waar de natuur intens overweldigender en de bevolkingsdichtheid geringer werd. De wegen bestonden nog slechts uit ruwe, zanderige wegen, hier en daar verhard met kiezels en keien. De bossen werden dichter en de meren talrijker. Ik had een klein tentje bij me en als ik geen camping kon vinden, dan zette ik het tentje ergens op in het bos. Uiteindelijk sliep ik vaker ergens in de bossen dan op een camping. Op een goede morgen werd ik zelfs verrast door een beer die in de buurt van mijn tentje rondscharrelde. Gelukkig lag er tussen hem en mij een flinke plas water, een klein meertje, dat te groot was voor hem om er zo even doorheen te rennen. Ik genoot van mijn reis en van dit prachtige land. Vooral de zonsondergangen in dit deel van de wereld zijn in de zomerperiode magisch. Soms is de ondergaande zon zo fel oranje, dat het hele landschap oranje is gekleurd en het water in de meren wel een grote pot met oranje verf lijkt.
Ik was vroeg opgestaan, want ik was inmiddels zo noordelijk doorgedrongen, dat de nachten duidelijk korter en de dagen langer werden. Mijn tentje was niet meer helemaal in orde, het lekte op een paar plaatsen en het had de afgelopen dagen flink geregend. Dat betekende dat mijn slaapzak nat was geworden en ik al een paar dagen in een natte slaapzak had moeten slapen. Ik was daar verkouden en een beetje grieperig door geworden. Ik stapte om zes uur ’s morgens in mijn auto, vervolgde mijn reis en reed verder naar het noorden.



 




Er had zich een vreemd gevoel van me meester gemaakt. Er was ergens diep in mij een tinteling aanwezig, een trilling, die mij wilde aankondigen dat er vandaag iets zou gebeuren, iets wat een onmiskenbare uitwerking op mij zou hebben en wat voor altijd, voor alle resterende dagen van mijn leven, een zodanige invloed op mij zou hebben, dat het mijn leven absoluut en compleet zou veranderen. Ik was niet onbekend met dit gevoel, met deze tinteling. Al vaker had dit gevoel mij vooraf op iets gewezen, waarvan achteraf bleek, dat er iets in mijn leven was gebeurd wat de koers van mijn leven had aangetast. In elk geval waren het gebeurtenissen met gevolgen.
Terwijl ik wegreed, werd ik mij dit gevoel opnieuw bewust. Dit keer was het anders. Ik schreef het onder andere ook toe aan mijn verkoudheid en besloot dat ik wel zou zien wat het zou opleveren. De weg was nog steeds redelijk begaanbaar en het sturen en hobbelen viel mee. Het viel mij op hoe stil en eenzaam het hier was. Ik was al in twee uur geen auto of mens tegengekomen en ik realiseerde mij dat als ik hier panne met de auto zou krijgen, ik nog wel eens goed in de problemen zou kunnen komen. Dit zijn van die gedachten die je beter niet kunt uiten. Een uur later merkte ik dat mijn motor oververhit raakte en stopte ik snel langs de kant van de weg, die eigenlijk niet meer was dan een zandpad. Ik gooide de motorkap open en gelukkig was er nog geen brand in de motor, alleen maar hitte en rook. Foute boel, dacht ik bij mijzelf. Wat nu? Ik ben helemaal niet technisch en heb dan ook geen enkel verstand van motoren en al helemaal niet van oververhitte motoren. Ik vond dat mijn auto niet goed genoeg aan de zijkant van de weg stond en probeerde mijn versnelling in zijn vrijstand te zetten, zodat ik de auto wat verder naar de kant kon duwen. Maar de versnellingspook was absoluut niet meer in beweging te krijgen. Foute boel, dacht ik opnieuw. Hoe kom ik hier ooit weer weg. Na twee uur wachten nam ik het besluit om mijn spullen zoveel mogelijk bij elkaar te pakken en maar te gaan lopen tot ik iemand tegen zou komen of in het eerste plaatsje zou komen waar wat mensen woonden. Misschien zou ik dan wat hulp kunnen krijgen. Ik wist wat mij te doen stond, omdat ik al twee keer eerder door dit land was gelift en rekening hield met het feit dat het nog wel eens uren, zo niet dagen zou kunnen duren, voordat ik iemand zou tegenkomen. Ik had eetbare spullen genoeg bij me en het water in de beekjes was zo helder, dat je er zonder gevaar voor eigen leven uit kon drinken.
Ik dook in mijn auto. Op de achterbank lagen allerlei spullen, die ik bij elkaar zou moeten binden, zodat ik ze makkelijker zou kunnen dragen. Ik was verdiept in mijn werkzaamheden, toen ik achter mij een stem hoorde. Het was een vrouwenstem, die in het Engels vroeg of ik problemen had en of zij mij ergens mee kon helpen. Ik kroop uit mijn auto en draaide mij om. Ik zag een blonde vrouw staan met iets langer dan halflang haar, ongeveer 1 meter 70 lang en redelijk tenger. Zij was in meerdere opzichten knap, je kon haar zelfs mooi noemen. Toen ik haar zag, was ik verbijsterd, ik weet niet waarom, maar ik was verbijsterd. Ik keek haar aan en zij had ook een blik in haar ogen van verbazing of misschien zelfs wel vertwijfeling. Er gebeurde iets waar zij last van had zonder dat zij het begreep en een zelfde gevoel trof mij ook. Ik herstelde mij en zei dat mijn auto kapot was en dat ik absoluut niet verder kon. Ik vroeg of zij mij ergens heen kon brengen waar ik hulp kon krijgen. “Dat zal niet zo eenvoudig zijn”, antwoordde ze. “Dit deel van Finland is heel dun bevolkt. Ik weet wel ergens een garage, maar die is niet hier in de buurt. Ik zal je helpen. Breng je spullen maar naar mijn auto.” Toen pas realiseerde ik mij hoe vreemd het was, dat ik haar auto niet had horen aankomen. De banden maken op deze ruwe ondergrond van zand, grind, kiezels en stenen altijd een behoorlijk lawaai. Ik had haar moeten horen aankomen. Ik besefte dat ze eigenlijk ineens achter mij stond en mij liet schrikken toen ze me vroeg of ze mij kon helpen.
Ik schreef het toe aan het feit dat ik verdiept was in het uitzoeken van mijn spullen, in wat ik wel en wat ik niet mee moest nemen op mijn verdere wandeltocht door dit prachtige land.
Toen ik de eerste spullen naar haar auto had gebracht en met lege handen weer terugliep naar mijn eigen auto, stak zij haar hand uit en zei: “Ik heet Helena”. Ik reageerde door te zeggen: “Richard” en omdat ik in Finland was, sprak ik het op zijn Engels uit. “Waar kom je vandaan?”, vroeg ze. “Ik kom uit Nederland”, antwoordde ik. “Je naam is niet Nederlands, eerder Engels”, zei ze. “Ja, dat klopt”, antwoordde ik, “jouw naam is volgens mij niet Fins, eerder Grieks of zoiets”, zei ik. Ze moest lachen. “Ja”, zei ze “dat klopt ook.”
Ik pakte haar uitgestoken hand en een vreemde tinteling ging door mij heen. Ik merkte ook bij haar opnieuw een vorm van verbazing, van een niet begrijpen van iets wat zij ook voelde. Ik wist niet of ik mij in deze situatie gemakkelijk of ongemakkelijk moest voelen. Ik besloot een zekere vorm van waakzaamheid te blijven houden. Helemaal op mijn gemak was ik niet. Volgens mij was zij dat ook niet. We hadden al snel mijn spullen overgeladen van mijn auto naar haar auto en ik sloot mijn auto af. Ik stapte naast haar in haar auto en we reden weg. “Woon je hier in de buurt?”, vroeg ik haar. “Ja”, zei ze, “een kleine tachtig kilometer verder. Ongeveer drie uur rijden op deze wegen.” “Is er ergens hier in de buurt een plaats waar iemand mijn auto op kan halen en kan repareren?” “Ja”, zei ze, “ongeveer vijfentwintig kilometer verderop. Wij komen erlangs en we zullen daar stoppen bij de garage. Ik zal het voor je regelen, want ik denk niet dat die mensen Engels spreken.” “Je bent in meerdere opzichten een reddende engel”, zei ik en ze moest lachen. Een ontspannen lach. Ik begon mij al snel meer op mijn gemak te voelen naast haar en ik voelde hetzelfde bij haar. “Je kan mij misschien wel in het plaatsje van de garage afzetten en dan neem ik daar een hotelletje en wacht tot mijn auto weer gemaakt is”, zei ik. “Dat zal niet gaan”, zei ze, “er is daar geen hotel en geen herberg. Eigenlijk is daar nauwelijks iets. Bovendien kan het dagen of langer duren voordat ze jouw auto op gaan halen en voordat hij gerepareerd is.” “Dat meen je niet”, zei ik. “Dacht je dat ze daar alle onderdelen van alle auto’s in voorraad hebben? Dit is Finland”, zei ze “en niet het Finland van de grote steden.” Ik schrok enigszins van haar opmerking. “Ik woon voor de zomer in een huisje in de bossen, in de alles overheersende rust en stilte, een stuk noordelijker, ik nodig je uit om zolang mijn gast te zijn.” “Woon je daar alleen?”, vroeg ik. “Ja”, antwoordde ze. “Waarom nodig je mij uit?”, vroeg ik, “je kent mij niet, je weet niet wie ik ben of hoe ik ben. Ik voel mij vereerd maar ook verward dat je mij uitnodigt.” Ze antwoordde: “Ik weet niet wie je bent, daar heb je gelijk in, maar ik voel dat het goed is, dat het misschien wel zo moet zijn, dat deze ontmoeting een diepere betekenis heeft. Bovendien weet ik niet zeker of ik niet weet wie je bent.” “Ik begrijp er niets van”, zei ik.
“Eigenlijk ik ook niet”, antwoordde ze, “maar ik denk dat wij het wel gaan begrijpen.” Er viel een stilte van enige minuten en ik keek om mij heen naar de omgeving waar alles uit alleen maar hout, zand en water leek te bestaan. Na enige minuten vroeg Helena: “Schrok je toen ik je aansprak?” “Ja”, zei ik, “ik had je ook niet horen aankomen.” “Schrok je toen je me zag?”, vroeg ze opnieuw. Ik keek haar aan. Zou ze dat gevoeld hebben? Ik aarzelde en zei toen: “Ja”, en eigenlijk wist ik niet waarom ik haar zo makkelijk en zonder problemen de waarheid vertelde. “Ik ook”, zei ze. “Ik schrok toen ik jou zag en ik voelde dat jij ook schrok.” Opnieuw viel er een stilte van een paar minuten. Ik merkte dat ik mij ondanks deze vreemde conversatie steeds meer op mijn gemak begon te voelen en ik probeerde haar zoveel mogelijk onopgemerkt te observeren. Ze was heel mooi. Eigenlijk vond ik haar nu nog veel mooier dan ik mij de eerste keer toen ik haar aankeek realiseerde.
“Er is enige kilometers verderop een herberg. We kunnen daar iets eten. Ik ben al een paar uur onderweg en heb wel honger”, zei ze. “Graag, ik heb inmiddels eigenlijk ook wel honger.” Opnieuw viel er een stilte. Tot Helena de auto naast het gebouwtje parkeerde. We stapten uit, zij sloot haar auto af en we liepen naar binnen. Ik liep achter haar aan. Weer was ik verrast door de schoonheid die zij uitstraalde. Er was iets dat me boeide. Ik weet niet of het alleen haar fysieke schoonheid was. Er was iets dat me fascineerde, maar ik kon het gevoel niet thuisbrengen. Dit gevoel was onbekend voor mij. Het was iets wat ik nooit eerder had meegemaakt, een gevoel dat mij opnieuw een beetje onrustig maakte. We gingen zitten aan een tafel. Er waren een paar gasten aanwezig, maar het was eigenlijk erg rustig binnen. Helena legde mij uit wat de verschillende gerechten op het kaartje ongeveer inhielden en we bestelden iets. De bestelling kwam al snel door en we begonnen te eten. “Waarom ben je hier in Finland?”, vroeg zij. “Ben je op vakantie?” “Ja”, zei ik, “ik ben al twee keer eerder hier geweest en ik ben toen liftend door jouw prachtige land gereisd. Ik wilde nog één keer met mijn eigen auto jouw land bezoeken. Ik had een gevoel dat ik er nog één keer naartoe moest. Een bezoek met meer mogelijkheden, omdat ik met eigen vervoer zou gaan.” “Waarom ben je de derde keer gekomen?”, vroeg Helena, “had je een gevoel dat je nog een keer móest komen of leek het je wel leuk om hier nog een keer naartoe te gaan?” Ik dacht een tijdje na en zei “Nee, het was een bepaald gevoel, ik weet niet precies hoe ik dat moet uitleggen.” “Ik begrijp het”, zei ze. “Hoe kun jij dit begrijpen?”, vroeg ik, “terwijl ik het zelf niet begrijp.” Ze keek me een tijdje recht in mijn ogen aan. Ik hield haar blik vast en was op een vreemde manier gebiologeerd door haar blik. “Ik begrijp het, Richard, omdat ik anders ben.” “Anders dan wie? Zijn we niet allemaal anders, uniek zoals we zijn en daarom gewoon anders?” “Ja”, zei ze “je hebt gelijk maar ik ben ánders anders.” Ik begreep er helemaal niets van maar het irriteerde mij niet. Ik nam het besluit dat als ik dan toch bij haar zou mogen logeren, ik zou gaan uitzoeken in welk opzicht zij anders was. Ik keek haar aan en ze glimlachte en zei: “Misschien komt er een gelegenheid dat ik het jou kan uitleggen. We zullen zien.”
Deze keer nam ik het initiatief en vroeg haar: “Wat doe je zoal in het dagelijks leven, werk je of studeer je nog?” “Ik ben sociologe en ik werk in Helsinki”, antwoordde ze. “Helsinki is hier ver vandaan”, zei ik. “Ja, maar ik heb ruim twee maanden vrij kunnen nemen en ik had behoefte om tot mijzelf te komen. Mijn ouders hebben in dit gebied een huisje en ik besloot daarheen te gaan en er een langere tijd te blijven. Ik heb geen vaste plannen, maar ik heb in elk geval ruim twee maanden de tijd. En jij?”, vroeg zij, “wat doe jij in het leven?” “Ik werk in de accountancy. Ik heb een nieuwe baan en moet over ruim twee maanden daar beginnen. Ik heb enige tijd voor mijzelf genomen, omdat ik langere tijd wilde uittrekken voor deze vakantie. Ik had een gevoel dat het niet een reis van enige weken moest worden maar dat ik meer tijd zou moeten nemen om te kunnen doen wat ik wil doen.” “Wat wil je dan doen?”, vroeg zij. “Ja, wat ik wil doen? Gewoon rondtrekken door Finland en er de tijd voor nemen.” “Wilde je dan iets specifieks doen?”, vroeg zij weer. Ik dacht diep na en zei: “Nee, dat geloof ik niet.” Opnieuw moest zij glimlachen. Ze raakte me met haar glimlach ergens diep van binnen en ik kreeg opnieuw een vreemd gevoel van bekendheid. Een gevoel van bekendheid met iets wat niet bekend is. Het zou een reden kunnen zijn om mij opnieuw niet op mijn gemak te voelen, maar het vreemde was, dat ik mij juist heel erg op mijn gemak begon te voelen.
We rekenden onze maaltijd af en liepen naar haar auto en reden verder. Na drie kwartier kwamen we in het plaatsje waar Helena het over had gehad en bezochten de garage. Zij sprak met de man van de garage en kwam terug naar de auto. “Ik heb het geregeld”, zei ze. “Over een week zal ik hem bellen en dan heeft hij meer nieuws. Verwacht niet te veel. De man gaf aan dat het wel eens twee tot drie weken zou kunnen gaan duren.” Hoewel ze me had gewaarschuwd, was ik er toch wel enigszins verbaasd over. Ik keek om mij heen. Dit plaatsje was inderdaad wel heel erg klein. “Ik ga nog even tanken”, zei ze, “en dan kunnen we in één keer doorrijden naar het huisje.” Ik knikte en stapte uit om even mijn benen te strekken. Ruim vijf minuten later waren we weer op weg. Er waren lange perioden dat we niet tegen elkaar spraken en dat gaf geen ongemakkelijk gevoel.
Ik vroeg haar op een gegeven moment: “Je gaf net aan dat jij dingen van mij begrijpt, die ik zelf niet begrijp. Hoe kun jij dingen van mij begrijpen die ik zelf niet begrijp? Je gaf ook aan dat je dat kunt omdat je anders bent. Ben je helderziende of zoiets?” “Nee, dat ben ik niet”, zei ze. “Ik ben geen helderziende maar ik ben wel anders. Maar als ik je dat nu vertel, zal je mij voor gek verklaren en dat risico wil ik beslist niet lopen. Ik weet ook niet of er zich een mogelijkheid voor gaat doen dat ik het je wel ga vertellen. Toch heb ik het gevoel dat ik het je wel zal moeten gaan vertellen, maar niet nu”, zei ze. “Je moet geduld hebben en misschien hoor je wel helemaal niets van mij.” Haar antwoord verbaasde mij en ik keek haar aan. Ze voelde dat ik haar aankeek en zij keek mij aan, en weer verscheen die glimlach die mij opnieuw raakte.
Ik zakte onderuit in mijn stoel en realiseerde mij dat dit eigenlijk een heel vreemde situatie was. Als ik thuis aan mijn vrienden zou vertellen dat ik met autopech in een godverlaten gebied in Finland gestrand zou zijn en door een prachtige jonge vrouw zou zijn opgepikt, door haar geholpen en zijn uitgenodigd om bij haar te logeren, zou niemand mij geloven. Ik realiseerde mij nog iets anders en daar schrok ik van. Het vreemde gevoel van vanmorgen, dat ik eigenlijk al langere tijd bij mij droeg, was verdwenen. Ik probeerde het opnieuw te peilen. Ja, het gevoel was verdwenen. Ik schrok. Uit ervaring wist ik wat dat zo ongeveer betekende. Het vreemde gevoel en deze ontmoeting hadden met elkaar te maken of zouden met elkaar te maken kunnen hebben. Ik realiseerde mij nu ook dat het gedrag van Helena, dat voor mij op zijn minst anders of zelfs vreemd was, paste in deze context van mijn eigen vreemde gevoel. Een bepaalde opwinding maakte zich van mij meester. Het vreemde idee bekroop mij dat deze ontmoeting misschien was voorbestemd. Ja, ik geloofde in dit soort dingen, althans, ik geloofde dat ik erin geloofde. Een aantal dingen schoten door mijn hoofd. In de eerste plaats dat vreemde gevoel dat vanmorgen heel sterk in mij leefde, daarna de problemen met mijn auto, die ik voordat ik op vakantie ging aan alle kanten had laten nakijken, toen het feit dat ik haar auto niet had horen aankomen en dat zij ineens achter mij stond, vervolgens de verbazing toen ik haar zag en blijkbaar ook de verbazing bij haar toen ze mij zag. Het verdwijnen van het vreemde gevoel dat ik een tijdje bij mij droeg en tenslotte de uitnodiging van iemand die mij volkomen vreemd  en onbekend is en het feit dat zij iemand uitnodigt die haar volkomen vreemd en onbekend is. Op hetzelfde moment twijfelde ik aan het onbekend zijn. Ja ik kende haar niet en zij kende mij niet maar op een ander vlak voelde het allemaal zo ongelooflijk bekend. Het begon aardig verwarrend te worden.
“Is alles goed met je?”, vroeg ze. “Ja”, zei ik. Ik realiseerde me dat ze mijn verwarring had aangevoeld en probeerde een andere draai aan het verhaal te geven. “Ik voel me niet helemaal fit, omdat ik door het lekken van mijn tent enige dagen in een natte slaapzak heb geslapen en daardoor verkouden ben geworden. Dus in dat opzicht is niet alles goed met me.” Ze keek mij aan en ik glimlachte. Ze beantwoordde mijn glimlach. “Je kent de Finse sauna?”, vroeg ze. “Ja, die ken ik en ik weet hoe heilzaam die op verkoudheden kan inwerken.” “Er is er één bij ons huisje en ik zal hem aansteken als we er zijn, dan kunnen we vanavond in de sauna. Dat zal je goed doen.” Dan kunnen we vanavond in de sauna, ging het door mijn hoofd. Ik weet zeker dat mijn vrienden mij nu helemaal niet meer zouden geloven.
We reden verder en hoe mooi het landschap ook was, de rit begon voor mij voorzichtig een beetje te lang te duren. “Ben je met de auto uit Helsinki gekomen?”, vroeg ik haar. “Ja”, zei ze, “maar ik ben via Tampere gereden. Mijn ouders wonen daar en daar ben ik eerst naartoe gereden.” “Dat is een hele rit”, zei ik. “Ja”, antwoordde ze, maar het went, als je het maar vaak genoeg doet.” Ik knikte.
Na een lange rit kwamen we eindelijk aan bij het huisje van de ouders van Helena.